Home Actueel Archief Strijd tussen pandhouder en fiscus over fabrieksinventaris!

Strijd tussen pandhouder en fiscus over fabrieksinventaris!

Archief
20-02-14

Wie krijgt wat en waarom, altijd een vraag die steeds speelt als t (te) weinige onder velen moet worden verdeeld.
 

In faillissementen zijn er helaas maar een paar spelers onder wie er gedeeld kan worden. Meestal banken als pandhouders en fiscus als bevoorrechte partij op grond van de Invorderingswet.
 

Een bank of andere kredietverschaffer met een pandrecht op de inventaris probeert logisch te redden wat er te redden valt of viel. Onder het nieuwe recht moet een pandhouder het zelfs melden aan de fiscus als hij zaken in vuistpand wil nemen, maar voor 1 januari 2013 hoefde dat niet. Wie het eerst kwam die maalde. Maar zaken ophalen als pandhouder is vaak niet aantrekkelijk: veel kosten. Dus is men altijd op zoek naar een sterkere rechtspositie zonder met de inventaris te moeten sjouwen.
 

De Rabobank dacht het ei van Columbus gevonden te hebben nadat zij middels een surseance van betaling met de ellende van hun kredietnemer werden geconfronteerd. Snel een deurwaardersexploit uitgebracht, met melding dat zij toch echt de pandhouder waren, en dat iedereen daar dan rekening mee moest houden. Ook de bewindvoerder en vooral de belastingdienst. Door deze mededeling zou het pandrecht op de fabrieksinventaris sterk zijn geworden en onveranderlijk door iedereen gerespecteerd moeten worden. Fiscus en curator waren het niet eens met de bank, want in de faillissementswet (art. 241c Fw) staat dat de pandhouder deze actie alleen kan doen als het een zaak van een derde is die bij de kredietnemer staat. Bijvoorbeeld de verhuurder die een machine bij een klant heeft staan, waarbij de verhuurder de machine via bank als pandhouder heeft gefinancierd.
 

Zoals zo vaak werd de surseance in een faillissement omgezet, en werd de fabrieksinventaris door de curator verkocht. Over wie de zak geld toekwam ging de strijd tussen de bank en de fiscus. Op grond van artikel 63c Faillissement bleef de bank herhalen dat haar pandrecht voor alles en iedereen ging.
 

Inmiddels heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 13 december 2013 duidelijk gemaakt dat de bank als pandhouder haar recht tijdens surseance en faillissement niet meer kan versterken of veranderen, ook niet door een deurwaardersverklaring, als het om zaken van de schuldenaar tijdens surseance of faillissement gaat. Zo hoort het ook! In een faillissement past een pas op de plaats voor iedereen, en moet de curator de baten normaal kunnen verdelen, zonder crediteuren die zich kunnen bewegen om een voorrangsplek.
 

En zo heeft de fiscus indirect weer een slagje gewonnen met haar bevoorrechte positie ten opzichte van de pandhouder op bedrijfs-/fabrieksinventaris. Een bijna waardeloze zekerheid voor elke financier inmiddels. Het financieren van een bedrijf wordt er niet makkelijker op!

Deel dit artikel