Home Actueel Archief RUBRIEK UITSPRAKEN UITGELICHT

RUBRIEK UITSPRAKEN UITGELICHT

Archief
16-05-14

Arrest HR 4 april 2014

ECLI:NL:HR:2014:826, RvdW 2014, 548 (Nobel/Brommet)

 

Rechtsingang: Art. 1 Eerste protocol EVRM; art. 7:274 lid 1 onder d BW

 

 

Trefwoorden:

Opzegging huurovereenkomst, beëindigingsgronden, redelijk aanbod, ongestoord genot van eigendom, ongeoorloofde inbreuk, toetsingskader, huurbeschermings- en huurprijsbepalingen, fair balance, proportionaliteit, disproportionele en onevenredige last   

 

 

Nederlandse wettelijke huurbeschermings- en huurprijsbepalingen niet strijdig met het in art. 1 EP verankerde recht op ongestoord genot van eigendom.

 

 

Verhuurder heeft – voorafgaand aan onderhavig geding – aangaande dezelfde huurwoning een klacht ingediend bij het EHRM, na een uitspraak van de huurcommissie, waarbij (aan de hand van het zogeheten puntensysteem) het ten hoogste te rekenen huurbedrag is vastgesteld. Het EHRM heeft de klacht als evident ongegrond aangemerkt en verhuurder niet-ontvankelijk verklaard.

 

De huurovereenkomst voor een etage en een gedeelde zolderverdieping van een pand aan de Weesperzijde te Amsterdam waarvan de verhuurder sedert 1964 eigenaar is, dateert vanaf 1984. De huurcommissie heeft een huurprijs van € 564,75 per 1 juli 2009 redelijk geoordeeld.

 

Verhuurder vordert – kort samengevat – voor recht te verklaren een redelijk aanbod te hebben gedaan als bedoeld in art. 7:274 lid 1 sub d BW en als gevolg van niet aanvaarding de huurovereenkomst terecht te hebben opgezegd alsmede de huurovereenkomst te beëindigen.

 

Voor het geval deze vordering niet wordt toegewezen vordert hij met ingang van 1 juli 2009 de huurprijs te verhogen tot € 3.750,- per kwartaal.

 

De kantonrechter en het hof hebben de vordering afgewezen.

 

Het hof heeft voor zijn oordeel aansluiting gezocht bij de overwegingen op grond waarvan het EHRM in voormelde procedure is gekomen tot een niet-ontvankelijk verklaring.

 

Cassatiemiddel

 

Naar de kern genomen, verwijt eiseres tot cassatie het hof te hebben miskend dat de Nederlandse wettelijke huurbeschermings- en huurprijsbepalingen ingevolge art. 1 EP een schending van het ongestoorde genot van eigendom inhouden.

 

De Hoge Raad verwerpt het beroep

 

De Hoge Raad zet eerst uiteen wat het EHRM, voor zover van belang voor de beoordeling van het cassatieberoep, heeft overwogen in voormelde procedure.

 

Art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM luidt als volgt:

 

“Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. ”

 

Art. 1 EP bevat een drietal regels. De eerste regel, vervat in de eerste volzin van de eerste paragraaf, is van een algemeen karakter en geeft eenieder het recht op een ongestoord genot van zijn eigendom.

 

De tweede regel, vervat in de tweede volzin van de eerste paragraaf, verbindt voorwaarden aan het kunnen ontnemen van eigendom en de derde regel, vervat in de tweede paragraaf, onderkent dat een Staat de bevoegdheid heeft die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren, in overeenstemming (voor zover hier van belang) met het algemeen belang.

 

De tweede en de derde regel dienen te worden uitgelegd in overeenstemming met het algemene principe dat is verwoord in de eerste regel.

 

Het huurprijsstelsel behelst een inperking van het aangestoord eigendomsrecht. Verhuurder blijft evenwel eigenaar van het onroerend goed, is vrij zijn bezit te vervreemden en ontvangt huur.

 

Onderzoek op grond van de tweede paragraaf is dan ook geboden. De wet waarop de inperking berust, is voldoende toegankelijk, precies en voorspelbaar.

 

Een maatregel ter regulering van eigendom is alleen gerechtvaardigd wanneer die strookt met het algemeen belang. De nationale autoriteiten zijn beter in staat te beoordelen of dit het geval is dan internationale. Het betreft een brede notie.

 

De inperking berust voorts op een (deugdelijke) wet en dient een gerechtvaardigd sociaal-politiek doel, namelijk bescherming van huurders.

 

De inperking dient bovendien proportioneel te zijn: tussen het belang bij bescherming van grondrechten van individuen en het algemeen belang dient een “fair balance” te bestaan. Die is niet doorbroken. Het ontbreekt verhuurder, die zijn stellingen slechts met algemene gegevens heeft  onderbouwd, niet aan een redelijk rendement (decent profit). Zijn inkomsten behelzen immers aanzienlijk meer dan de onroerende zaakbelasting. Bovendien ontbreken aanwijzingen dat de huurinkomsten onvoldoende zijn om de onderhoudskosten te dragen. Verder ontbreken aanwijzingen voor een disproportionele en onevenredige last.

 

De regulering van de eigendom is in deze omstandigheden gerechtvaardigd. Het EHRM acht de klacht evident ongegrond en verhuurder derhalve niet-ontvankelijk.

 

Het EHRM heeft dit toetsingskader tevens aangelegd in Bittó e.a. / Slowakije (EHRM 28 januari 2014 nr. 30 255/09)

 

Het hof heeft het (hierboven kort weergegeven) toetsingskader van het EHRM gehanteerd en heeft mitsdien een juiste rechtsopvatting aan de dag gelegd om te beoordelen of de wettelijke bepalingen voor huurprijsvaststelling in strijd zijn met art. 1 EP. Het oordeel van het hof is bovendien niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd.

Deel dit artikel