Home Actueel Cassatie Overdracht vordering bank aan niet-bank bij overeenkomst van geldlening

Overdracht vordering bank aan niet-bank bij overeenkomst van geldlening

Cassatie
10-07-20 Johan den Hoed

Hoge Raad heeft nadrukkelijk oog voor de kwetsbare positie van de kredietnemer.

Onze cassatieadvocaat, mr. J. den Hoed, advocaat bij de Hoge Raad, was betrokken bij de voor banken, diverse andere spelers in de financiële sector en van krediet afhankelijke bedrijven, belangrijke prejudiciële procedure bij de Hoge Raad. Hier was aan de orde of en in hoeverre alsook met welke daaraan voor partijen verbonden consequenties vorderingen uit hoofde van een overeenkomst van geldlening van een bank kunnen worden overgedragen aan een niet-bank.

Voor de niet-bank als nieuwe schuldeiser uit de overeenkomst van geldlening gelden na overdracht van de vordering verscheidene verplichtingen, waaronder ook zorgverplichtingen. De niet-bank waaraan de vordering door een bank uit een overeenkomst van geldlening wordt overgedragen zal aan de bijzondere zorgplicht en de zorgplicht vervat art. 2 van de ABW niet (zonder meer) voorbij kunnen gaan. De inhoud en reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht hangen mede af van de omstandigheden van het concrete geval.

Bij cessie gaat een vordering uit hoofde van geldlening op de niet-bank over zoals zij bij de bank bestond, derhalve inclusief de hieraan verbonden (neven)rechten en verplichtingen. Niet de gehele rechtsverhouding tussen bank en cliënt gaat over. Hiervoor is contractsoverneming vereist. De niet-bank wordt geen partij bij de overeenkomst tussen bank en cliënt. De hiervoor aangestipte zorgplichten van de cederende bank jegens haar cliënt, maken geen deel uit van de gecedeerde vordering, en komen als zodanig niet te rusten op de niet- bank. De niet-bank en de leningnemer staan na de cessie in een door art. 6:2 BW beheerste rechtsverhouding. Wat redelijkheid en billijkheid inhouden, wordt bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eén hiervan is de verplichting voor de cedent in zijn hoedanigheid van bank om bepaalde (bijzondere) zorgplichten in acht te nemen. Van de niet-bank wordt gevergd haar gedrag mede te laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de leningnemer. Naar de Hoge Raad dienaangaande overweegt kan zulks met zich brengen: “dat op de niet-bank een eigen zorgplicht rust, die in voorkomend geval kan inhouden dat zij zich jegens de leningnemer op dezelfde wijze moet gedragen als kan worden gevergd van redelijk handelend bank”.

Na cessie staan de leningnemer ingevolge art. 6:145 BW dezelfde verweermiddelen ten dienste als hij jegens de vorige schuldeiser, de cederende bank, zou hebben kunnen inroepen.

De inhoud van de rechtsverhouding tussen leningnemer en niet-bank wordt derhalve bepaald door de gecedeerde vordering, de aan art. 6:145 BW te ontlenen verweermiddelen, en de eisen van redelijkheid en billijkheid als vervat in art. 6:2 BW.

Naar het voorgaande met zich brengt, staat het de niet-bank niet in alle gevallen vrij om na cessie van de vordering plots het rentepercentage aanzienlijk te verhogen.

De Hoge Raad heeft oog voor de kwetsbare positie van de leningnemer op wie de bank een vordering heeft die wordt overgedragen, met name wanneer het een consument betreft. De vaak gehoorde stelling van een niet-bank waaraan de vordering wordt overgedragen zich niets te hoeven aantrekken van de bancaire (bijzondere) zorgplicht, en de specifieke aspecten van de betrokken kredietrelatie met de leningnemer, gaat derhalve niet op.

De uitspraken vind je hier: 10 juli 2020 – uitspraak Hoge Raad (ECLINLHR2020–1276) en 10 juli 2020 – uitspraak Hoge Raad (ECLINLHR2020–1274).

Deel dit artikel