MENU
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onvoldoende onderzoek naar bedrijfsopvolger

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onvoldoende onderzoek naar bedrijfsopvolger

22 January 2018

Wie van plan is zijn bedrijf over te dragen aan een andere bestuurder, doet er goed aan voldoende onderzoek te plegen naar de opvolger. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk zijn er toch ondernemers die hier hun vingers aan branden. Zoals voormalig  bestuurder van het bedrijf Technia.

Van 2003 tot juni 2013 was X. indirect bestuurder van Technia BV. In juni 2013 draagt X het bestuur van Technia over aan B, afkomstig van adviesbureau A. Naar later blijkt pleegt B de nodige malversaties. In oktober 2013 wordt Technia failliet verklaard.

De curator stelt een vordering in tegen X en B aan voor het faillissementstekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De curator verwijt X dat hij geen behoorlijke administratie heeft bijgehouden en dat hij overhaast het bestuur van Technia heeft overgedragen aan B, zonder voldoende diepgravend onderzoek te doen naar diens integriteit, financiële achtergrond en kennis van zaken.

De rechtbank wijst de vordering tegen B toe. Voor wat betreft de vordering tegen X vindt de rechtbank dat de curator onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eventuele gebreken in de administratie zich hebben voorgedaan tijdens de periode dat X (indirect) bestuurder was. Bovendien heeft de curator volgens de rechtbank niet kunnen aantonen dat de gebreken in de administratie een belangrijke oorzaak waren van het faillissement. De rechtbank oordeelt wel dat dat X, door adviesbureau A in te schakelen zonder voldoende onderzoek te doen naar het bedrijf en haar (indirecte) bestuurders, zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. De rechtbank veroordeelt B en X hoofdelijk tot betaling van het faillissementstekort en tot veroordeling in de proceskosten. X vraagt nog om matiging van het bedrag waarvoor hij aansprakelijk wordt gehouden. De rechtbank wijst dit verzoek af.

X gaat in hoger beroep tegen de veroordeling wegens onbehoorlijke taakvervulling en eist alsnog matiging van de het bedrag waarvoor hij aansprakelijk kan worden gehouden. 

In hoger beroep oordeelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat de curator voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat X zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Het onderzoek dat X had verricht was onvoldoend:  te beperkt en  te oppervlakkig.  X had slechts één persoon om informatie gevraagd, de website van het adviesbureau bekeken en een beetje op internet rondgesurfd. Dat is veel minder dan je van een redelijk denkend bestuurder mag verwachten, oordeelde het hof. Van X had verwacht mogen worden dat hij bij de overdracht van zijn installatiebedrijf met een omzet van circa € 1,3 miljoen en een personeelsbestand van 13 personeelsleden, voldoende onderzoek zou verrichten naar de (rechts)personen aan wie hij het bedrijf wilde overdragen. 

Wat hem vooral werd verweten was het feit dat hij niets over de overdracht gezegd had tegen de meerderheidsaandeelhouder, terwijl hij die enkele dagen voor de overdracht nog gesproken had. Ook met zijn accountant en de bank had X geen enkel overleg gevoerd.

Voor wat betreft de matiging van het bedrag waarvoor X. aansprakelijk wordt gehouden, voert hij aan dat de rechter heeft geoordeeld dat niet vaststaat dat hem verweten kan worden dat gebreken in de administratie zich hebben voorgedaan tijdens zijn bestuursperiode of dat die gebreken een belangrijke oorzaak waren van het faillissement. De rechtbank had hem alleen verweten dat hij zonder voldoende onderzoek in zee was gegaan met adviesbureau A.
Het is de handelwijze van B die tot het faillissement heeft geleid, aldus X. Als het hof het verzoek tot matiging afwijst, zijn de gevolgen voor X onredelijk en verstrekkend, vindt hij, vooral omdat verhaal op B onmogelijk lijkt: van hem is geen vaste woon- en verblijfplaats bekend.

Het hof is van oordeel dat X kan verweten worden dat hij Technia heeft “uitgeleverd” aan een onvoldoende gescreende opvolgend bestuurder. Daarmee heeft hij het risico van een dergelijke onzorgvuldige handelswijze op de koop toegenomen. Dat dit risico vervolgens werkelijkheid geworden is, onder meer door malversaties van B die hebben geleid tot het faillissement van Technia, kan dan ook niet als grond voor matiging gelden. Daarbij speelt de ernst van het onzorgvuldige handelen van X als bestuurder een belangrijke rol. Dat B niet te achterhalen is en/of mogelijk geen verhaal biedt, is voor het hof geen aanleiding tot matiging.

Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank.

Meer weten over bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement? Neem contact op!

Praktijkgroep Procesrecht