MENU
Afbreken van onderhandelingen: “kan ik er nog onderuit?”

Afbreken van onderhandelingen: “kan ik er nog onderuit?”

03 maart 2017

Het gebeurt nogal eens dat een partij gedurende de onderhandelingen over een overeenkomst, de stekker uit de onderhandelingen wil trekken. Cliënten vragen dan aan ons: “Kan ik er nog onderuit?” Het antwoord op die vraag, hangt helemaal af van de omstandigheden. In sommige situaties dient de afbrekende partij er rekening mee te houden dat een schadevergoeding op zijn plaats kan zijn. In dit artikel zet ik een aantal belangrijke in de jurisprudentie geformuleerde regels die in deze situatie gelden op een rij.

 

1. Is er al een overeenkomst?

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en een aanvaarding. In principe zijn zowel het aanbod als de aanvaarding en de meeste overeenkomsten vormvrij, dat wil zeggen dat het niet nodig is dat de handelingen allemaal schriftelijk worden verricht, het kan bijvoorbeeld ook mondeling, of zelfs uit gedragingen blijken. Om diverse redenen is het op schrift zetten van de meeste overeenkomsten echter belangrijk. Allereest vanwege de bewijsproblemen die ontstaan als een afspraak alleen mondeling is gemaakt.

Van belang is voorts dat voor het aannemen van een overeenkomst niet vereist is dat op alle punten overeenstemming bestaat. Als over de essentialia van de overeenkomst overeenstemming bestaat (bijvoorbeeld de prestatie die dient te worden verricht en de prijs die daarvoor moet worden betaald), kan er al een overeenkomst tot stand zijn gekomen.

Als een overeenkomst tot stand is gekomen, dan kunnen de onderhandelingen niet meer worden afgebroken. Immers, de overeenkomst bestaat en is afdwingbaar.

Als er echter nog geen overeenkomst tot stand is gekomen, zitten de onderhandelingen in de ‘precontractuele fase’.

 

2. Is er een  gerechtvaardigd vertrouwen op de totstandkoming van een overeenkomst?

Zonder overeenkomst zijn partijen in principe vrij met elkaar te onderhandelen en deze onderhandelingen tussentijds af te breken. Het kan zijn dat omstandigheden meebrengen dat het afbreken van onderhandelingen echter onaanvaardbaar is op basis van gerechtvaardigd vertrouwen. Deze strenge maatstaf heeft de Hoge Raad geformuleerd in het arrest CBB/JPO.


Of er sprake is van “gerechtvaardigd vertrouwen” is dus cruciaal. Er wordt daarbij onder andere rekening worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de afbrekende partij en de wijze waarop en mate waarin de afbrekende partij tot het ontstaan van het vertrouwen zou hebben bijgedragen.


De zaak bij het Hof Amsterdam van 13 september 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:3747) is een voorbeeld van hoe dit wordt beoordeeld. De afbrekende partij had een voorbehoud voor de overeenkomst gemaakt voor goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering. Vervolgens was er telefonisch contact geweest tussen partijen en had de afbrekende partij aangegeven dat er “groen licht was van de aandeelhoudersvergadering”. Twee weken daarna brak die partij alsnog de onderhandelingen af. De benadeelde partij vorderde bij de rechter schadevergoeding, omdat de mededeling dat er groen licht van de aandeelhoudersvergadering was, bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat een overeenkomst tot stand zou komen. Uitspraak in deze zaak is op dit moment nog niet gedaan. Dergelijke uitlatingen zal de rechter meewegen bij het oordelen over het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij.

 

3. Schadevergoeding

Als er een gerechtvaardigd vertrouwen is van de wederpartij op de totstandkoming van de overeenkomst, dan kan de rechter oordelen dat de afbrekende partij aansprakelijk is voor de schade die de andere partij daardoor heeft geleden. In dat geval heeft de benadeelde partij de mogelijkheid om schadevergoeding in de vorm van “positief contractsbelang” of “negatief contractsbelang” te vorderen.

Positief contractsbelang

In het arrest Plas/Valburg, is als uitgangspunt geformuleerd dat de schadevergoedingsverplichting bij afgebroken onderhandelingen bestaat uit de vergoeding van het “positief contractsbelang”.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij financieel gezien zoveel mogelijk in de positie dient te worden gebracht waarin hij zou verkeren indien:

  • de onderhandelingen succesvol zouden zijn verlopen, en
  • er een contract zou zijn afgesloten, en
  • dat contract deugdelijk zou zijn uitgevoerd.

Dat kan onder omstandigheden een flinke schadeclaim opleveren. Vanaf het arrest Plas/Valburg, is de Hoge Raad veelvuldig bezig geweest met het leerstuk van afgebroken onderhandelingen. Dergelijke claims worden maar zelden toegewezen.

Negatief contractsbelang

Een andere mogelijkheid die de benadeelde partij heeft is het vorderen van het “negatief contractsbelang”.

In dat geval vordert de benadeelde partij om schadevergoeding die hem brengt in de positie waarin hij zou hebben verkeerd indien er in het geheel niet zou zijn onderhandeld. De omvang van deze vordering kan onder omstandigheden lager, maar ook hoger zijn dan het positief contractsbelang. De omvang van het negatief contractsbelang wordt onder andere bepaald door: gemaakte investeringen en misgelopen andere contracten (gederfde winst uit alternatieve contracten).

 

4. Kortom

Allereerst is de vraag of er al een overeenkomst tot stand is gekomen. Daarvoor is niet nodig dat op alle punten overeenstemming is bereikt; overeenstemming over de essentialia (prijs/prestatie) kan al een overeenkomst tot stand brengen.

Als er nog geen overeenstemming is, kunnen de onderhandelingen in principe worden afgebroken. Aansprakelijkheid wegens het afbreken van onderhandelingen is niet snel aan de orde. Sinds het arrest CBB/JPO geldt een strenge maatstaf. Wanneer onderhandelingen een natuurlijke dood zijn gestorven of wanneer partijen bijzonder veeleisend zijn geweest zal aansprakelijkheid niet aangenomen worden.

Het toewijzen van aansprakelijkheidsvorderingen is wel mogelijk wanneer de benadeelde partij te lang aan het lijntje is gehouden of nooit een echte kans op een overeenkomst blijkt te hebben gehad omdat de opzeggende partij niet transparant is geweest.

Om discussies te voorkomen kan het in sommige gevallen handig zijn om een letter of intent/intentieovereenkomst met elkaar te sluiten (partijen regelen hierin bijvoorbeeld wanneer ze gebonden zijn aan bepaalde afspraken). Als partijen het over de gehele overeenkomst al eens zijn, maar de afdwingbaarheid nog afhangt van externe factoren (bijvoorbeeld het verlenen van een vergunning, of het krijgen van goedkeuring) dan kan ook de opschortende voorwaarde een uitkomst bieden. Wij denken graag met u mee over de mogelijkheden voor uw situatie.

 

Praktijkgroep Contractenrecht
  • I. (Iris) Tuk