Weglopen uit een franchiserelatie

6 december 2018 | Myrthe Steenhuis

Weglopen uit een franchiserelatie

Een makelaar in Utrecht wil zijn activiteiten uitbreiden en bedenkt een franchiseformule. Een makelaar uit de buurt wordt franchisenemer en de twee sluiten een franchiseovereenkomst. Maar als de franchisenemer genoeg heeft van zijn nieuwe samenwerking, stapt hij op en gaat hij met een andere partij verder. Kan dat zomaar?

De franchiseovereenkomst tussen de twee partijen was aangegaan voor de duur van een jaar. Na het verlopen van de eerste termijn van een jaar zou de overeenkomst steeds met een periode van een jaar verlengd worden. Als een van beide partijen niet zou willen verlengen, moest hij de overeenkomst minimaal zes maanden voor het einde van een periode schriftelijk opzeggen.

Het eerste jaar loopt af op 14 mei 2018. Omdat geen van beide partijen de overeenkomst tijdig heeft opgezegd, gaan ze het tweede jaar van samenwerking in. Maar na drie maanden, in augustus 2018 laat de franchisenemer aan de franchisegever weten dat hij de samenwerking wil beëindigen per 1 september 2018. Op grond van de bepalingen van de overeenkomst was dat natuurlijk niet mogelijk. Maar franchisenemer en franchisegever gaan om de tafel om te kijken of ze tot een beëindigingsovereenkomst kunnen komen. Dat lukt helaas niet.

Maar dat weerhoudt de franchisenemer er niet van om zijn relaties aan te schrijven en aan te kondigen dat hij per 1 september 2018 als allround makelaar gaat werken onder de naam DIVA makelaars. Hij stopt met werken als franchisenemer en gaat in de plaats daarvan voor DIVA makelaars werken.

De franchisegever roept het oordeel van de rechter in. Vanwege het spoedeisend belang komt de zaak voor de voorzieningenrechter. De franchisegever eist nakoming van de overeenkomst, maar de franchisenemer vindt dat hij de franchiseovereenkomst niet hoeft na te komen omdat de relatie tussen hem en franchisegever verstoord was geraakt. De franchisegever gaat volgens hem anders met mensen om dan van een franchisegever mag worden verwacht, hij heeft bovendien een rekening gekregen voor kosten die niet in de overeenkomst stonden vermeld en waar hij het niet mee eens was en daarnaast moest hij van de franchisegever kosten betalen die alleen ten goede zouden komen aan het kantoor in Utrecht en niet aan zijn eigen kantoor in Houten. Daarnaast zei de franchisenemer dat de franchisegever woningen in zijn gebied in de verkoop had genomen, maar daarover niet had afgerekend.

Of deze beweringen kloppen blijft onduidelijk, vindt de voorzieningenrechter, want de franchisenemer onderbouwt zijn stellingen nauwelijks. Maar dat doet ook niet ter zake, aldus de voorzieningenrechter: want ook als zijn stellingen kloppen, volgt daaruit niet (zonder bijkomende omstandigheden) dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de franchisenemer aan de franchiseovereenkomst te houden. Dit betekent dat hij de overeenkomst en het daarin opgenomen concurrentiebeding moet nakomen.

Wij lopen in onze praktijk vaker aan tegen geschillen over de – voortijdige – beëindiging van een franchiseovereenkomst. Goede afspraken kunnen veel onnodige onenigheid voorkomen. Wilt u daar meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op!

Team Franchiserecht
Myrthe S. J. Steenhuis