Verbintenissenrecht: schadevergoeding en non-concurrentiebeding

3 september 2018 | Johan den Hoed

Verbintenissenrecht: schadevergoeding en non-concurrentiebeding

Dirk Lange en Johan den Hoed boekten in hoger beroep een mooie overwinning in een procedure over een vermeende schending van een non-concurrentiebeding, uitleg van een inlenersovereenkomst en schadevergoeding.

Olgreen en T2 zijn beide detacheerders in de ICT. T2 detacheert zowel eigen mensen als derden. In oktober 2015 detacheerde Olgreen de heer K. bij de Politieacademie. Circa twee maanden later sloten T2 en Olgreen voor de inzet van een andere arbeidskracht bij de Politieacademie een Basisovereenkomst inzet personeel. In die Basisovereenkomst was een non-concurrentiebeding opgenomen, waarin werd bepaald dat medewerkers van Olgreen niet anders dan met tussenkomst en toestemming van T2 gedetacheerd mochten worden bij cliënten waaraan T2 in de periode van 12 maanden voorafgaand aan het beëindigen van de laatste overeenkomst een factuur had gestuurd.

Omdat Olgreen in oktober de heer K. naar de Politieacademie had gestuurd, meende T2 dat Olgreen dit beding geschonden had. Zij eiste een schadevergoeding van ruim een miljoen euro voor overtreding van het beding. De rechtbank stelde T2 in het gelijk, maar matigde de schadevergoeding.

In hoger beroep stonden partijen opnieuw tegenover elkaar. De zaak draait om de vraag of Olgreen het beding geschonden heeft en, zo ja, met ingang van welke datum. T2 meent dat het beding ten tijde van het tot stand komen ook gold voor lopende detacheringen en dat Olgreen het beding heeft overtreden door de detachering van K. Olgreen had er in ieder geval melding van moeten maken. Het is volgens T2 niet gebruikelijk om een dergelijk beding af te spreken voor detacheringen bij een bestaande relatie. En als het beding dan al niet van toepassing was bij aanvang van de overeenkomst met K. op 14 januari, dan was dat, in haar optiek, hoe dan ook wel het geval bij overeenkomsten die daarna met hem werden gesloten. Maar Olgreen voert aan dat er tussen haar en T2 geen enkele relatie bestond toen K. gedetacheerd werd. Olgreen verkeerde in de veronderstelling dat het beding alleen van toepassing was op nieuwe detacheringen, anders zou ze nooit getekend hebben, te meer niet omdat de dagelijks te verbeuren boete 20 x zo hoog was als het bedrag dat Olgreen aan de detachering van K. verdiende.

Het Hof meent dat niet alleen de tekst van het beding in overweging moet worden genomen, maar ook de verwachtingen van partijen bij de ondertekening. Mede nu de tekst van het beding is gesteld in de toekomende tijd, hoefde Olgreen inderdaad er niet vanuit te gaan dat het beding ook op bestaande overeenkomsten van toepassing was, aldus het Hof. Ten tijde van de ondertekening heeft T2 bovendien geen klantenlijst ter beschikking gesteld, wat een eenvoudige handeling geweest zou zijn. En het is inderdaad onaannemelijk dat Olgreen getekend zou hebben als ze geweten had daarmee een dergelijk hoge boete te kunnen verbeuren.

Omdat Olgreen er niet vanuit hoefde te gaan dat de detachering van K. onder het beding viel, hoefde Olgreen dat ook niet te verwachten van verlengingen van die detachering, aldus het Hof.

Het Hof vernietigt het eerdere vonnis en wijst arrest in het voordeel van Olgreen.

Team Procesrecht
Johan den Hoed