Bestuurdersaansprakelijkheid bij het aangaan van overeenkomsten

19 september 2018 | Tosca Deenik

Bestuurdersaansprakelijkheid bij het aangaan van overeenkomsten

Wanneer een bedrijf in een slechte financiële positie verkeert, kan het lastig zijn om in te schatten in hoeverre het nog verantwoord is om nieuwe overeenkomsten aan te gaan. Gaat het bedrijf failliet, dan kan het wellicht zijn verplichtingen niet nakomen en worden de bestuurders mogelijk geconfronteerd met een vordering. Of is die vrees onterecht?

Een slechte financiële positie kan leiden tot een faillissement, waardoor schuldeisers als gevolg van deze overeenkomsten benadeeld zouden kunnen worden. Wanneer de verbintenis immers niet wordt nagekomen, en de schade ook nog eens niet (volledig) verhaalbaar blijkt vanwege een faillissement, blijft de wederpartij met de schade zitten. Bestuurders zien in zo’n geval zich mogelijk geconfronteerd met een vordering van een schuldeiser uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Uit een recente uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden bleek dat een (flink) negatief eigen vermogen van de vennootschap op zichzelf onvoldoende is om bestuurdersaansprakelijkheid aan te nemen.

Een bestuurder kan naast de vennootschap volgens vaste rechtspraak aansprakelijk zijn voor de benadeling van schuldeisers in de volgende gevallen:

  • De bestuurder heeft namens de vennootschap gehandeld.
    Daarbij is vereist dat de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van het handelen van de bestuurder (het aangaan van de overeenkomst) schade zou lijden. Dit wordt ook wel aangeduid als de Beklamelnorm.
  • De bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar (wettelijke of contractuele) verplichtingen niet nakomt.
    Daarbij moet de bestuurder een ernstig verwijt gemaakt kunnen worden van het feit dat zijn handelen of nalaten ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onzorgvuldig is.

In beide gevallen geldt een hoge drempel. Bestuurdersaansprakelijkheid is alleen aan de orde als de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

In de zaak die voorlag aan het hof Arnhem-Leeuwarden ging het om een houtbouwbedrijf, dat een overkapping zou realiseren voor een particulier A. Deze overkapping is nooit opgeleverd, en het deel dat wel al gebouwd was, is door een storm beschadigd. Het bedrijf werd veroordeeld tot het betalen van een behoorlijk bedrag aan A. Vervolgens is het bedrijf failliet verklaard, en heeft A slechts een klein gedeelte van dit bedrag uitgekeerd gekregen door de curator. Daarop spreekt A de bestuurders op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aan.

Het hof oordeelt echter dat het hebben van een negatief vermogen in de vennootschap en het verlies draaien in het jaar voorafgaand aan de overeenkomst niet genoeg is om bestuurdersaansprakelijkheid aan te nemen. Deze twee gegevens alleen maken nog niet dat de bestuurders wisten of behoorden te weten dat de vennootschap haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden. A. krijgt geen vergoeding.

Tot op zekere hoogte is het ook logisch dat men de financiële positie van de vennootschap probeert te verbeteren door nieuwe opdrachten aan te nemen. Het gaat er niet om met kennis achteraf het handelen van de bestuurders te beoordelen; het gaat erom wat de situatie was op het moment dat de overeenkomst werd aangegaan. Daarbij moet bijvoorbeeld ook worden gelet op de orderportefeuille, marktontwikkelingen, de kasstromen, kredietmogelijkheden enzovoorts. Het bestaan van een negatief eigen vermogen en het lijden van verlies wil nog niet zeggen dat het punt bereikt is waarop het onverantwoord is de onderneming te continueren en nog verdere verbintenissen met derden aan te gaan, aldus het hof.

Meer weten over bestuurdersaansprakelijkheid? Neem contact met ons op!

Team Procesrecht
Tosca Deenik