Auteursrechten op ‘machine kunst?’

22 oktober 2020 | Nine Bennink

Auteursrechten op ‘machine kunst?’

Artificial Intelligence (AI) is een nieuwe technologie die een hoop juridische vragen oproept, zo ook op het vlak van het auteursrecht. Machines uitgerust met AI zijn ware kunstenaars: ze tekenen, zingen en componeren er op los. Er komt geen mens meer aan te pas. De Nederlandse Auteurswet (Aw) stamt uit 1912. Is de Aw nog wel actueel genoeg voor de huidige maatschappij?

Machines uitgerust met AI die een liedje componeren of een schilderij creëren is niet meer iets dat alleen voorkomt in films. Een van de bekendste schilderijen heeft zijn oorsprong op Nederlandse bodem. Het gaat om The Next Rembrandt (2016), een schilderij gecreëerd door een machine uitgerust met, AI die zijn inspiratie putte uit een dataset met 168.263 schilderijfragmenten van Rembrandts hand.

The Next Rembrandt werd wereldnieuws, maar riep tegelijkertijd ook veel juridische vragen op. Wie is de artiest, de eigenaar van het AI algoritme? Is het schilderij beschermd door het auteursrecht?

Het auteursrecht

Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te kunnen komen, moet zijn voldaan aan vier cumulatieve vereisten: (i.) er moet sprake zijn van een werk (ii.) dit werk moet het resultaat zijn van menselijke intellectuele inspanning (iii.) het werk moet origineel c.q. creatief zijn en (iv.) het werk moet concreet vormgegeven zijn (daarvan is sprake).

Een schilderij of liedje dat is gemaakt door een machine uitgerust met AI kan worden aangemerkt als een werk, waarmee aan het eerste vereiste wordt voldaan. Dit komt omdat er sinds het bekende Endstra-arrest uit 2008 – waar Köster bij betrokken was – een lage toets geldt om een creatie aan te kunnen merken als een ‘werk’ zoals bedoeld in de Aw.[1] De Hoge Raad oordeelde in het Endstra-arrest dat een voortbrengsel een werk is op het moment dat de creatie een eigen oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. In latere rechtspraak in 2009 is het werk begrip nog verder verduidelijkt. Toen is overwogen dat er sprake is van een werk wanneer de creatie een schepping van de geest is, oftewel om “materiaal dat oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteurs ervan”.[2]

Het werk moet dus op grond van de wet en rechtspraak origineel c.q. creatief zijn (een eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen) wil er auteursrecht op rusten. Ook moet het werk resultaat zijn van scheppende intellectuele inspanning.

Deze vereisten wringen al meer als het gaat om een werk dat door een machine gemaakt is.

In mijn optiek moet worden gekeken naar het precieze algoritme dat is gebruikt om te bepalen of er wordt voldaan aan de vereisten om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te kunnen komen. Er zijn immers algoritmes die in hoge mate afhankelijk zijn van menselijke input en sturing en er zijn algoritmes die in lage mate tot nauwelijks afhankelijk zijn van menselijke input en sturing.

Wanneer de mens veel handelingen vóór de machine moet verrichten om de machine te kunnen laten creëren, wordt mijn inziens aan het creativiteitsvereiste c.q. het vereiste van scheppende intellectuele inspanning voldaan.

Wanneer er geen mens aan te pas komt, wordt het problematischer. Een machine uitgerust met AI ‘kiest’ namelijk niets bewust en al helemaal niets creatiefs. Het resultaat is min of meer toevallig, omdat het een mechanisch creatieproces is dat bestaat uit oneindige combinaties van 0 en 1. Het auteursrecht zoals neergelegd in de Aw, past niet op deze situaties. Een afzonderlijk nieuw ‘auteursrecht’ voor dit soort situaties zou de oplossing kunnen zijn. Als dat er komt, duurt het in ieder geval nog jaren. Bovendien valt te verwachten dat dat recht tegen de tijd dat het af is, alweer verouderd is en niet meer past op de technologische ontwikkelingen van de toekomst.

Tot slot zijn er nog twee onderwerpen die ik voor een compleet beeld van de problematiek in deze blog wil aanstippen.

Ten eerste: in de Aw is bepaald dat een maker eigenaar is van auteursrechten. Nergens in de Aw staat echter dat de maker een mens moet zijn. Dit biedt naar mijn mening mogelijkheden om een machine uitgerust met AI als maker aan te merken in de zin van de Aw. Een mens zou dan voor de maker – in dit geval de machine – de auteursrechten moeten beheren en commercieel exploiteren. Problematischer wordt het met de morele rechten die een maker op grond van de Aw óók toekomen. Morele rechten beschermen, kort gezegd, de goede naam en het werk van de maker. Zo heeft de maker altijd het recht om als maker te worden vermeld en kan de maker zich verzetten tegen vernietiging of wijziging van zijn auteursrechtelijk beschermde werk.

Naar de huidige stand van de techniek kunnen machines uitgerust met AI niet zelf voelen zoals mensen dat kunnen. Wellicht zijn daarom morele rechten voor een machine op dit moment overbodig. Toch sluit ik niet uit dat er in de toekomst machines uitgerust met AI zullen worden ontwikkeld die wel kunnen voelen, bijvoorbeeld op het niveau zoals dieren dit kunnen. De ontwikkeling van AI-beschermingsrechten, waaronder ook ‘eigen’ morele auteursrechten, lijkt mij daarom voorstelbaar.

Verder is de duur van het auteursrecht nog een punt van aandacht. Op grond van het Aw eindigt het auteursrecht 70 jaar na de dood van de maker. Als we aannemen dat een machine een maker zou kunnen zijn, hoe verhoudt dit zich dan tot de dood van de machine?

Conclusie

Voor AI zijn er geen specifieke wettelijke bepalingen. Ook kunnen we de onderliggende theorieën van ons rechtssysteem, die veelal een oorsprong hebben in het Romeinse recht, niet toepassen op machines uitgerust met AI. Dat pleit voor het scheppen van een nieuw recht, speciaal voor AI waarin het mogelijk moet zijn dat de machine zélf auteursrechthebbende is van het werk dat hij of zij (?) gecreëerd heeft en waar ook andere relevante onderwerpen kunnen worden geregeld. In mijn optiek heeft namelijk óók deze maker recht op bescherming van zijn werk tegen inbreukmakers en ander gespuis.

[1] HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153 (Endstra).
[2] HvJ EG 16 juli 2009, C-5/08 (Infopaq).

Nine Bennink
Team Intellectuele Eigendom