Home Actueel Archief De wederindiensttredingsvoorwaarde (en de vervaltermijn)

De wederindiensttredingsvoorwaarde (en de vervaltermijn)

Archief
14-08-17

Artikel 7:686a BW bevat een aantal vervaltermijnen. Heeft de werknemer binnen die termijn een bepaalde vordering niet ingesteld bij de rechter, dan vervalt het recht daartoe.

De werknemer kan zijn recht (als hij al gelijk heeft) dan niet meer geldend maken. Het is niet mogelijk om deze termijn te stuiten.

In een recente zaak ging het om de vraag wanneer de vervaltermijn begint te lopen bij de wederindiensttredingsvoorwaarde. Wat was er precies aan de orde? 

De casus

Een werkgever had met toestemming van UWV de arbeidsovereenkomst van een werknemer opgezegd tegen 1 juni 2016. Met ingang van 20 mei 2016 werd de werknemer vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. In het geval van een opzegging met toestemming van UWV, bepaalt de wet dat een werknemer in bepaalde gevallen om vernietiging van die opzegging kan verzoeken (7:681 BW), onder meer wanneer een werkgever de wederindiensttredingsvoorwaarde overtreedt. Daarvan is sprake indien een werkgever dezelfde werkzaamheden (als die van de ex-werknemer), binnen 26 weken na de opzegging, laat verrichten door een andere werknemer, zonder de ex-werknemer in de gelegenheid te stellen zijn vroegere werkzaamheden te hervatten (7:681 lid 1 onder d BW).

In deze zaak werden de werkzaamheden van de ex-werknemer door de zoon van de werkgever verricht. De wederindiensttredingsvoorwaarde werd hiermee (volgens de werknemer) overtreden. De werknemer verzocht de rechter dan ook om de opzegging te vernietigen. Het verzoek werd ingediend op 1 augustus 2016. De werknemer had er overigens ook voor kunnen kiezen om een billijke vergoeding te vorderen, in plaats van de vernietiging van de opzegging.

De vraag die in deze zaak moest worden beantwoord, was of de werknemer op tijd de vernietiging van de opzegging had ingeroepen bij de rechter. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft hierover geoordeeld.

Op tijd?

De wet bepaalt (in artikel 7:686a lid 4 onder c BW) dat – in de situatie van overtreding van de wederindiensttredingsvoorwaarde – de bevoegdheid tot het instellen van een vordering vervalt, twee maanden na de dag waarop de werknemer daarvan op de hoogte is of redelijkerwijs had kunnen zijn, maar in elk geval uiterlijk twee maanden na de dag waarop de termijn van 26 weken is verstreken.

Om vast te kunnen stellen of de vervaltermijn al is verstreken, is het van belang om te bepalen vanaf welk moment de wederindiensttredingsvoorwaarde kan worden overtreden.

De werknemer was van mening dat er gedurende de looptijd van de opzegtermijn nog geen sprake kon zijn van de schending van de wederindiensttredingsvoorwaarde. Volgens de werknemer begon die termijn van 26 weken pas te lopen nadat de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk was geëindigd (1 juni 2017), omdat niet eerder valt vast te stellen of de zijn oude werkzaamheden door een ander worden verricht.

Het hof verwerpt dit verweer. De wet bepaalt namelijk dat de termijn van 26 weken ingaat na een opzegging (dus eerder dan het daadwerkelijke einde van de arbeidsovereenkomst). Aangezien de werknemer al vanaf de vrijstelling van arbeid (tijdens de opzegtermijn) geen werkzaamheden meer had verricht (vanaf 20 mei 2017), kon al vanaf dat moment sprake zijn van overtreding van de wederindiensttredingsvoorwaarde. Nu de werknemer – aldus het hof – al vanaf 20 mei 2017 redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van het overtreden van de wederindiensttredingsvoorwaarde (en de vervaltermijn dus al begon te lopen vanaf dat moment), is het verzoekschrift te laat ingediend. Er waren namelijk al twee maanden verstreken na 20 mei 2017.

De werknemer wordt niet-ontvankelijk verklaard en kon zijn recht (als hij al gelijk had) niet meer geldend maken.

Niet alleen werknemers, maar ook werkgevers dienen de vervaltermijnen goed in de gaten te houden. Het is mogelijk om hier een bepaalde strategie op af te stemmen.

Wederindiensttredingsvoorwaarde voor uitzendondernemingen

Voor uitzendondernemingen (waaronder detacheerders, payrollers, etc.) geldt ook een wederindiensttredingsvoorwaarde, zij het dat deze voorwaarde anders is vormgegeven dan de voorwaarde die geldt voor andere werkgevers.

Indien een arbeidsovereenkomst wordt opgezegd na toestemming van UWV en er binnen 26 weken een vacature ontstaat voor dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden als die van de ex-werknemer, dan moet de uitzendonderneming de werknemer in de gelegenheid stellen als kandidaat te worden voorgedragen bij de inlener (artikel 7:681 lid 1 onder e BW).

Meer weten?

 

Deel dit artikel