Home Actueel Contractenrecht Coffeecompany komt op de koffie

Coffeecompany komt op de koffie

Contractenrecht Franchiserecht
26-09-18 Linda Relouw

Coffeecompany, de keten van coffee-to-go-winkels geïnspireerd op het Amerikaanse Starbucks, heeft opnieuw voor de rechter gestaan met Dam Spirit, voormalig franchisenemer. Maar ook in hoger beroep oordeelde de rechter dat Dam Spirit niet opzij hoeft te stappen voor de franchiseorganisatie.

De samenwerking tussen Dam Spirit en Coffeecompany dateert al van 2006, toen Dam Spirit de eerste franchisenemer in Amsterdam werd. Het pand huurde Dam Spirit van een derde partij. In de licentieovereenkomst tussen Coffeecompany en Dam Spirit is opgenomen dat de Coffeecompany gerechtigd is om bij opzegging van de overeenkomst de onderneming zelf voort te zetten op het vestigingspunt waar de Coffeecompany-partner werkzaam is geweest. Maar dan rust op de franchisegever wel de verplichting om Dam Spirit 60 dagen voor het tijdstip van beëindiging op de hoogte stellen van het recht de Coffeecompany-onderneming zelf voort te zetten op hetzelfde vestigingspunt, aldus de overeenkomst. Echter: indien deze mededeling door welke oorzaak ook niet binnen deze termijn van 60 dagen kan worden gedaan (bijvoorbeeld bij een onmiddellijke ontbinding van de overeenkomst), dient de Coffeecompany zo spoedig mogelijk en binnen redelijke termijn de Coffeecompany-partner op de hoogte stellen.

Op 9 oktober 2013 stelt Coffeecompany aan Dam voor om de licentieovereenkomst (wederom) te verlengen. In dezelfde e-mail deelt Coffeecompany mee dat zij de vestiging zelf wil voortzetten indien partijen over die verlenging geen overeenstemming zouden bereiken. Dat laatste gebeurt: er wordt langdurig onderhandeld, maar de partijen bereiken geen overeenstemming. De licentieovereenkomst is daardoor per 30 november 2013 geëindigd.

Dam blijft in het pand aan de Dam zitten en blijft bovendien een soortgelijk assortiment verkopen. Coffeecompany wacht dan ook niet lang met een dagvaarding vanwege overtreding van het overeengekomen non-concurrentiebeding. Bovendien eist Coffeecompany het recht om de onderneming aan de Dam – een populaire locatie – voort te zetten en de koffiebrander eist tevens overdracht van de huurrechten. Het pand werd immers gehuurd van een derde. Uitkomst van het kort geding is dat Dam Spirit de deuren een tijdje gesloten moet houden en een contractuele boete van 25.000 euro moet betalen vanwege overtreding van het non-concurrentiebeding. Het verweer van Dam dat het assortiment wezenlijk anders is, wordt door de rechter afgewezen.

De eis van Coffeecompany om het recht van exploitatie en de huurrechten van de vestiging over te mogen nemen, wordt wel afgewezen: de bepaling daarover in het contract is geschreven voor het geval de overeenkomst zou worden opgezegd (bijvoorbeeld wegens wanprestatie) en niet in geval van beëindiging van rechtswege. Bovendien heeft Coffeecompany niet de overeengekomen termijn van minimaal 60 dagen van tevoren voor de kennisgeving aangehouden.

Niet tijdig

Coffeecompany laat het er niet bij zitten en daagt Dam opnieuw voor de rechter in hoger beroep. Dam komt in beroep tegen het oordeel dat zij geen recht heeft op overname van de activiteiten omdat zij Dam niet tijdig op de hoogte zou hebben gesteld. Er zaten 53 dagen tussen de mededeling en de beëindiging. Maar volgens Coffeecompany is dat niet te laat, omdat in artikel 27 lid 3 van die licentieovereenkomst is bepaald dat als die mededeling om welke reden dan ook niet binnen die termijn van 60 dagen gedaan kan worden, deze alsnog zo spoedig mogelijk binnen een redelijke termijn kan worden gedaan. Coffeecompany ziet niet in waarom 53 geen redelijke termijn is. En Coffeecompany stelt bovendien dat ze niet eerder kon opzeggen, omdat ze er bewust voor gekozen had om de onderhandelingen met Dam Spirit niet onder druk te zetten en omdat dit in haar bedrijfsstrategie past. De rechter meent echter dat Coffeecompany wel eerder had kunnen opzeggen: er waren geen belemmeringen, behalve dan misschien de bedrijfsstrategie, maar dat is niet relevant, aldus de rechter. De rechter komt vervolgens niet meer aan toe aan de vraag of een beroep op deze bepaling überhaupt mogelijk was omdat de overeenkomst niet is geëindigd door opzegging.

Samenhang

Ondanks deze afwijzing wil Coffeecompany alsnog wel aanspraak maken op de overdracht van enkel de huurrechten. Volgens Coffeecompany zou er geen onverbrekelijke samenhang bestaan tussen de huurrechten en de overname van de activiteiten. Ook dit beroep slaagt niet: de rechter verwijst naar de inleiding bij de dagvaarding voor het geschil in eerste aanleg, waarin Coffeecompany nota bene zelf schreef: “ …zonder overname van de onderneming is immers geen overdracht van huurrechten denkbaar en andersom.”

De rechter bekrachtigt het eerdere vonnis.

De overname van een onderneming nadat een franchisenemer stopt, is vaak van groot belang voor een franchiseorganisatie, niet in de laatste plaats in verband met de locatie. De uitspraak benadrukt dat het van essentieel belang is om de afspraken over het recht op overname goed te formuleren: heeft u als franchisegever het recht om alleen bij opzegging of ook bij einde van de franchiseovereenkomst (bijvoorbeeld door het verstrijken van de tijd) de onderneming over te nemen, welke termijnen gelden voor kennisgeving en bestaat ook het recht om slechts de huur of bepaalde activa over te nemen? Spreek dit duidelijk af!

Wilt u advies over het vastleggen van deze afspraken? Neem dan contact met ons op!

Deel dit artikel