Nieuwsarchief

Directeur, ook van de lening?

Het is nog steeds een financiële crisis, voor veel particulieren maar ook zeker voor veel ondernemers, groot en klein(er). Zo is het bijvoorbeeld voor veel ondernemers moeilijker om de financiering bij de bank te houden of om bij de bank nieuwe financieringen af te sluiten. Banken zijn immers moeilijker met geld  lenen, omdat ze het bijvoorbeeld zelf niet meer voldoende hebben.

Gevolg: een directeur of holding staat voor de keuze om zelf geld in zijn bedrijf te stoppen, vaak bovenop geld wat al in de zaak is gestoken in een verder verleden. Voor het extra lenen van geld aan de onderneming moeten natuurlijk wel goede redenen zijn. Een directeur of holding die voor deze keuze staat doet er goed aan om advies in te winnen. Een vertrouwenspersoon met deskundigheid ligt dan voor de hand. Aan advocaten wordt dan niet vaak gedacht. Toch zijn er genoeg advocaten die zich bezig houden met bijvoorbeeld de vraag of je geld aan een onderneming kunt lenen of niet.

Advocaten die bijvoorbeeld als curator de financiële gang van zaken beoordelen bij failliete bedrijven, zijn ook goed in staat om te helpen in een fase die met een faillissement niets te maken heeft. Het voordeel van een advocaat met financieel en bedrijfsmatig inzicht is dat hij of zij ook kan helpen bij de vraag hoe je dat geld moet lenen! Een goede geldleningovereenkomst met voldoende zekerheden is van belang.

Dat alles lijkt vaak overdreven omdat een directeur over zijn lening zal zeggen: “Het is immers toch al mijn bedrijf.” Maar wat als een – iets – te ongeduldige crediteur opeens beslag legt op voorraad gereed product en je daardoor geen klanten kunt uitleveren? Als de voorraad gereed product onder een pandrecht als zekerheid voor de lening was gevallen, dan had het beslag geen effect gehad en was de levering van zaken aan klanten ook veel makkelijker doorgegaan.

Buitenstaanders kunnen zich dus onverwacht en ongewild in de normale gang van zaken mengen. Een ondernemer doet er goed aan om zich daartegen te wapenen, zeker als hij of zijn geld in de eigen zaak stopt. Door recente publiciteit rondom beslagen van mevrouw Nina Brink (Storms) laat zien dat het loont om problemen als gevolg van beslagen te voorkomen.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u meer informatie over dit onderwerp?
Neemt u dan contact op met mr. J.J. (Jan Jaap) van Deventer (vandeventer@kadv.nl).

go

Een valkuil in de internationale handel

De internationale markt is voor veel Nederlandse ondernemingen het speelveld van hun activiteiten. Nederlandse en internationale partijen sluiten deals met elkaar waarbij vaak grote belangen zijn gemoeid. In de overeenkomsten worden afspraken gemaakt over onder meer wat er geleverd wordt, de prijs die ervoor dient te worden betaald en de vereiste kwaliteit van de producten/diensten. Maar het gebeurt vaker dat partijen geen duidelijke afspraken maken over de juridische aspecten van de overeenkomst, bijvoorbeeld over wiens algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst. Logisch, uit commercieel oogpunt wordt bij voorkeur niet gesproken over het ontstaan van geschillen. Maar wat kunnen hiervan de consequenties zijn als er een geschil ontstaat?

Een casus uit de praktijk als voorbeeld: een Nederlandse partij ontvangt een order van een Engelse partij voor de levering van producten. Op de order verwijst de Engelse partij naar de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden. De Nederlandse partij bevestigt de order en verwijst in haar orderbevestiging naar de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden. Beide partijen zenden geen afschrift van hun algemene voorwaarden mee, maar verwijzen slechts naar de vindplaats van de algemene voorwaarden op hun website.

Er ontstaat een geschil. De Engelse partij stelt dat er gebreken zijn aan de producten en weigert de factuur te betalen. De Nederlandse partij laat het hier niet bij zitten en wil de Engelse partij op basis van haar algemene voorwaarden in Nederland dagvaarden. De Nederlandse partij heeft immers in haar algemene voorwaarden de Nederlandse rechter bevoegd verklaard en dus is de Nederlandse rechter volgens haar de bevoegde instantie.

De Nederlandse partij kan hier echter bedrogen van uitkomen.

Het risico bestaat dat de Nederlandse partij geen beroep kan doen op haar algemene voorwaarden. De Nederlandse partij heeft de algemene voorwaarden namelijk niet aan de Engelse partij ter hand gesteld. Bovendien botsen de algemene voorwaarden van de Nederlandse partij met de algemene voorwaarden van de Engelse partij (battle of forms). Als de Nederlandse partij haar algemene voorwaarden niet kan afdwingen, dan geldt dat ook voor haar keuze voor het Nederlandse recht en de Nederlandse rechter. Het is mogelijk dat de Nederlandse partij haar vordering dan moet instellen bij de Engelse rechter en dus in Engeland zal moeten gaan procederen. Dit met de nodige tijd en kosten van dien.

Hoe is dit te voorkomen?

Wij adviseren ondernemers om hun algemene voorwaarden uitdrukkelijk van toepassing te verklaren op de overeenkomst en de algemene voorwaarden in ieder geval vóór of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand te stellen. Als de algemene voorwaarden pas na het sluiten van de overeenkomst worden toegestuurd, is de kans aanwezig dat de wederpartij de algemene voorwaarden vernietigt waardoor er geen beroep meer op kan worden gedaan.

Daarbij is het van belang er alert op te zijn dat de wederpartij ook niet haar eigen algemene voorwaarden van toepassing verklaart. Als dat gebeurt, is het zaak hier direct op te reageren. Dit voorkomt ellenlange (en kostbare) discussies over welke algemene voorwaarden van toepassing zijn. Ieder land kent namelijk zo zijn eigen regels voor dit soort kwesties. Nederland hanteert bijvoorbeeld de first shot theorie: de algemene voorwaarden van partij die als eerste haar algemene voorwaarden van toepassing verklaart, gelden. Andere landen, zoals Engeland, hanteren de last shot theorie: de algemene voorwaarden die als laatst van toepassing zijn verklaard, gelden. En weer andere landen, zoals bijvoorbeeld Duitsland en België, kennen de knock out theorie waarbij de leer wordt gevolgd dat in geval beide partijen hun algemene voorwaarden van toepassing verklaren geen van beide sets voorwaarden van toepassing zijn.

Kortom, wees bedacht op deze valkuilen en zorg dat er altijd duidelijkheid is over de geldende algemene voorwaarden en het toepasselijk recht en de bevoegde rechter.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u meer informatie of advies over dit onderwerp? Neemt u dan contact op met mr. M.(Martine) van der Baars (vanderbaars@kadv.nl).

go

Een echt goed idee is goed beschermd

Talent en goede ideeën gaan hand in hand. En wie een goed idee heeft zit er niet op te wachten dat iemand anders er met dat idee vandoor gaat. Toch gebeurt dat regelmatig, zo ook bij me-vrouw A. Zij had al haar vrije tijd in het ontwikkelen van een nieuw concept gestoken. Groot was dan ook haar verbazing toen zij merkte dat haar collega B er met haar idee vandoor was gegaan en al druk bezig was het op de markt te brengen. Mevrouw A had enorme spijt dat ze B ooit in vertrouwen had genomen, maar echt bezorgd was ze niet: ze had haar uitgewerkte idee in de beginfase al bij de notaris gedeponeerd, dan was er toch geen probleem? En anders was er toch wel bescherming via het auteursrecht?

Mevrouw A heeft niet helemaal ongelijk. Je kunt een uitgewerkt idee inderdaad laten vastleggen bij de notaris. Varianten op dit notarisdepot zijn een depot bij de belastingdienst (kosteloos) of een I-depot bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom (“BBIE”). Maar pas op: dit depot bewijst enkel dat op een bepaalde datum een idee al bestond. Het levert geen bewijs dat het idee een oorspronkelijk idee is dat voor bescherming via het auteursrecht in aanmerking komt.

Voor auteursrechtelijke bescherming is geen registratie of ander depot vereist. Een werk is au-teursrechtelijk beschermd als het origineel is en het persoonlijk stempel van de maker draagt.

Voor ontwerpers kan hieruit het volgende geleerd worden: heeft u een goed idee voor een ont-werp, dateer dan dit uitgewerkte ontwerp, documenteer alle stappen in het ontwerpproces en deponeer dit ontwerp bij de notaris, Belastingdienst of het BBIE. Want een beschermd idee is pas echt een goed idee.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u meer informatie of advies over de bescherming van ideeën en/of ontwerpen? Neemt u dan contact op met mr. M.M.E. (Margot) Span (span@kadv.nl).

go

Het exploiteren van een webshop: kan dat zomaar of zitten daar nog juridische haken en ogen aan?

Steeds meer retailorganisaties besluiten hun collecties ook te koop aan te bieden via een internetwinkel. Dat kan, mits er geen beperkende contractuele afspraken zijn gemaakt met derden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een exclusief verkooprecht is verstrekt aan een of meer distributeurs.

Daarnaast is het van belang dat de webshop voldoet aan de regels die gelden ter bescherming van de consument. Het kopen via een webwinkel brengt voor de consument immers meer risico’s met zich mee dan wanneer hij een product in een winkel koopt. Bij een webshop zal een consument zich afvragen: van wie koop ik, wat koop ik en onder welke voorwaarden?

Een exploitant van een webshop dient daarom al zijn bedrijfsgegevens duidelijk te vermelden op de website, waaronder ook het KvK nummer en BTW identificatienummer en bestaat er een verplichting om op duidelijke en begrijpelijke wijze een aantal belangrijke gegevens te vermelden. Zo dienen de producten en prijzen, eventuele verzendkosten duidelijk gespecificeerd te worden. Ook zal op de website een uitleg gegeven moeten worden over hoe het bestelproces in zijn werk gaat, op welke manier betaald kan worden en hoe de producten zullen worden geleverd.

Het gaat te ver om in deze column alle vereisten op te sommen (deze staan immers vermeld in de wet). Maar waar het de wetgever om gaat is dat de website voldoende transparant en begrijpelijk is voor de consument. Die mag niet na zijn bestelling voor verrassingen komen te staan.

Op dezelfde wijze heeft de wetgever aandacht willen besteden aan het proces na een bestelling. De ontvangst van een bestelling dient bevestigd te worden per e-mail. Zolang de aanvaarding niet is bevestigd, kan de consument de overeenkomst ontbinden.

Bovendien heeft de consument te allen tijde een bedenktijd van minimaal zeven werkdagen na ontvangst van zijn bestelling. Dat betekent dat de consument binnen deze termijn het recht heeft de bestelde producten gratis terug te sturen. Het is de verantwoordelijkheid van de webshop eigenaar om de consument hierover te informeren, alsook over de wijze waarop het retourproces in zijn werk gaat.

De Consumentautoriteit houdt toezicht op het naleven van onder meer de wettelijke verplichtingen. Indien zij constateert dat bepaalde informatie niet is versterkt aan de consument, kan zij handhavend optreden.

Dan is er ook nog het College Bescherming Persoonsgegevens. Deze instelling houdt toezicht op de strenge eisen die de overheid stelt aan het verzamelen, opslaan en gebruiken van persoonsgegevens. Ook een internetshop dient aan deze eisen te voldoen en de privacy van de consumenten te waarborgen.

Het is derhalve raadzaam om zowel de website, als het bestel-, betalings- en leveringsproces volledig te onderwerpen aan een zogenaamde juridische check om er zeker van te zijn dat de webshop voldoet aan alle overheidsvoorschriften.

Ten slotte adviseren wij onze cliënten om op de website algemene voorwaarden te hanteren. Daarin kunnen bijvoorbeeld de betalingsvoorwaarden worden opgenomen, maximale bestelbedragen, criteria op basis waarvan een bestelling geweigerd kan worden, etc. Ook ten aanzien van de inhoud en het hanteren van algemene voorwaarden geldt overigens dat deze worden beperkt door consumentbeschermende wetgeving.

Kortom, er zijn inderdaad een aantal juridische haken en ogen om rekening mee te houden, maar dat is met goed advies gemakkelijk te ondervangen!

go

Wie heeft de beste papieren?

Wie heeft de beste papieren?

Verreweg de meeste juridische problemen van bedrijven gaan over de betaling van geleverde producten, de kwaliteit, de hoeveelheid of de levertijd. Maar ook een agentuur- of franchiseovereenkomst kan een bron van geschillen zijn. Als het probleem niet ‘vanzelf’ wordt opgelost, gaan de meeste bedrijven naar een advocaat.

Hoe pakt een advocaat dat probleem aan? Eerst moeten de feiten ‘op een rij’ worden gezet. Wat waren de afspraken, wat zijn de verwijten? Lang niet altijd is er een mooi schriftelijk contract. Vaak zijn afspraken mondeling gemaakt, soms per e-mail bevestigd. Maar ook als de afspraken wel op papier staan, biedt dat niet altijd een oplossing. Wat hebben partijen bedoeld? Hoe moet de overeenkomst worden uitgelegd?

De letterlijke tekst van een overeenkomst is niet altijd doorslaggevend. Als de tekst onduidelijk is, moet die worden uitgelegd aan de hand van hetgeen partijen hebben bedoeld. De omstandigheden van het geval, maar ook de redelijkheid en billijkheid spelen daarbij een belangrijke rol. Dat geldt ook voor opgewekte verwachtingen en de vraag in hoeverre informatie is gevraagd en gegeven. Met e-mails, brieven en besprekingsverslagen kan soms worden aangetoond dat iets anders is bedoeld dan er letterlijk staat. Maar als hierover geen overeenstemming wordt bereikt liggen soms lange en kostbare rechtszaken in het verschiet.

Om dit te voorkomen, is het verstandig dat een advocaat uw contracten opstelt. De advocaat is specialist en kan precies vastleggen wat het doel is van een bepaald contract. De rechter houdt daar ook rekening mee. Als een advocaat het contract heeft gemaakt, wordt sneller gekeken naar de letterlijke tekst. Zonder advocaat is de kans groot dat de bedoeling van partijen niet helder op papier komt. Met een advocaat heeft u – letterlijk – de beste papieren.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen, neemt u dan contact op met middendorf@kadv.nl

go

Goed nieuws voor sporttalenten in Haarlem

Tot voor kort was het moeilijk om topsport in het basisonderwijs te combineren met het volgen van onderwijs. De leerplichtwet, die als doel heeft het onderwijs van de jongeren te waarborgen, is daarin duidelijk; alleen in zeer uitzonderlijke gevallen en in de geest van de wet is het mogelijk af te wijken van het reguliere onderwijsprogramma. De gemeente Haarlem heeft eind 2009 de notitie Leerplicht en Topsport- en Cultuurtalenten aangenomen. Deze notitie geeft richtlijnen voor het verlenen van een vrijstelling van geregeld schoolbezoek wegens gewichtige omstandigheden (artikel 11g van de leerplichtwet 1990). Uitgangspunt bij het verlenen van een vrijstelling is dat de onderwijsverplichting jegens de betrokken leerling blijft bestaan. Dit betekent dat de school zodanige maatregelen moet treffen dat de leerling door zijn aanwezigheid geen onderwijsachterstand oploopt.

Daarnaast worden in de notitie twee voorwaarden genoemd waaraan een topsporttalent moet voldoen alvorens voor een vrijstelling in aanmerking te (kunnen) komen:

A. de jongere moet door de betreffende sportbond een status toegekend hebben gekregen en;

B. de jongere moet op het hoogste nationale niveau presteren.

In Nederland wordt gewerkt met verschillende topsportstatussen. Naast de A, B en HP status van het NOC*NSF zijn er ook drie landelijke NOC*NSF talentstatussen: Internationaal Talent, Nationaal Talent en Belofte. Naast deze landelijke (talent)statussen is het mogelijk om in aanmerking te komen voor een regio(talent)status die door de Olympische Netwerken/ topsportsteunpunten en de nationale sportbonden is ontwikkeld.

In dit concrete geval ging het om twee turntalentjes van de sportvereniging BATO in Haarlem. Van beide talentjes was de aanvraag voor een vrijstelling van geregeld schoolbezoek wegens gewichtige omstandigheden afgewezen. Tegen deze afwijzingen heeft Köster Advocaten succesvol bezwaar ingediend. Gedurende de bezwaarprocedure is uiteen gezet dat beide talentjes in aanmerking dienden te komen voor een vrijstelling op basis van genoemde nieuwe notitie. Beiden hadden een status toegekend gekregen van de betreffende sportbond, de KNGU, en beide talentjes presteerden reeds op het hoogst haalbare nationale niveau. Daarnaast waren er voor beide talentjes afspraken gemaakt met de betreffende basisscholen. Op basis van deze gegevens heeft de leerplichtambtenaar het bezwaar gegrond geacht en de vrijstelling van geregeld schoolbezoek alsnog verleend voor het schooljaar 2009-2010.

Aangezien het hier om een geheel nieuwe procedure gaat, heeft de bezwarencommissie leerplicht de afdeling Onderwijs en Sport van de gemeente Haarlem geadviseerd de notitie verder uit te werken zodat duidelijker wordt welke talenten voor een vrijstelling in aanmerking (kunnen) komen.

Wilt u meer weten over dit onderwerp of heeft u andere vragen op sportgebied; neemt u dan contact op met Marije de Wolf (dewolf@kadv.nl) van de sectie Sport en Recht.

go

Het handboek Ondernemen in Flex, de “bijbel voor startende uitzendondernemers"

Overhandiging "Handboek in Ondernemen in Flex"

 

Op donderdag 4 februari werd in Den Haag de startersgids Ondernemen in Flex gepresenteerd en aangeboden aan de voorzitter van MKB Nederland, de heer drs. Loek Hermans en aan de voorzitter van Kamer van Koophandel Nederland, de heer Frans Lavooij.

"Een onmisbaar en  pragmatisch handboek, de bijbel voor startende uitzendondernemers’’, aldus Hermans. "Het starten van een uitzendbureau is geen sinecure. Er komt veel bij kijken rond wet- en regelgeving en vele sneuvelen dan ook. Deze gids is een prima middel om starters verder te helpen", aldus Lavooij.

De gids, ook wel startershandboek genoemd, is geschreven door de heer Patrick Hustinx van Professionals in Flex en wordt uitgegeven door ARTRA Arbeidsmarkttrainingen in samenwerking met de brancheorganisaties ABU en NBBU en de praktijkgroep Uitzendbranche van Köster Advocaten. De gids omvat alles wat een startende ondernemer in de Flexbranche dient te weten. Van de nodige wet- en regelgeving tot aan een checklist m.b.t. de keuze van de juiste software.

"Zo’n 1000 mensen per jaar kiezen voor het avontuur, dat ondernemerschap is", aldus de heer Frank van Leeuwen, directeur van ARTRA, die de gids mocht overhandigen aan Loek Hermans. "Ze starten een onderneming in de flexbranche, maar hebben vaak te weinig informatie over wat er allemaal bij komt kijken. De gids helpt de ondernemer en daarmee ook de flexbranche om professioneel te kunnen starten en te kunnen blijven ondernemen!"

De heer drs. Aart van der Gaag, directeur van de ABU, gaf in zijn toelichting aan dat "de ABU voor kwaliteit staat en met dit startershandboek uitzendondernemers goed op weg wil helpen en wil zorgen voor een professionele aanpak. Dat is in het belang van de startende uitzendondernemingen zelf, maar ook van de sector, uitzendkrachten en opdrachtgevers."

De heer Bart Jeroen Croll, voorzitter van de NBBU stelde: "De NBBU helpt startende ondernemers een deskundig, succesvol bedrijf op te zetten. Dat is belangrijk voor de bedrijfstak, waarin ruim 800.000 mensen werkzaam zijn. Dit handboek is een onmisbaar hulpmiddel voor elke nieuwe, en groeiende, ondernemer om succesvol te worden in de flexmarkt."

De startersgids is overigens een onderdeel van een groter geheel; naast de startersgids kan er ook een starterspakket aangevraagd worden bij een van de uitgevende partners, waaronder Köster Advocaten. Daarbij kan er een opleiding voor startende uitzendondernemers gevolgd worden bij ARTRA. In het boek komen verder alle belangrijke zaken voor een flexondernemer langs:

• cao’s en belangrijkste wet- en regelgeving in de uitzendbranche;

• sociale zaken voor de uitzendwerkgever;

• risico’s en verzekeringen;

• wat doe ik zelf en wat besteed ik uit;

• de keuze van de softwareleverancier;

• personeel & organisatie;

• juridische zaken, marketing en financieel management (kostprijs en opstellen van begroting).

Het boek is voor € 49,95 (excl. BTW) te bestellen bij onze Praktijkgroep Uitzendbranche. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Maarten Tanja (tanja@kadv.nl of 023 5125 025).

go

Vormerkung en beslag door een schuldeiser ten laste van de verkoper

De inschrijving van een koopovereenkomst van een registergoed in de openbare registers, de zogeheten Vormerkung, beoogt de koper van het registergoed te beschermen tegen o.a. een tweede verkoop, beslag en faillissement van degene die verkoopt. Dat kan aan de orde zijn als de verkoper van een huis financiële verplichtingen bij andere partijen niet nakomt. Voor de koper van het huis is het van belang dat de koop door kan gaan en niet door beslag of een tweede verkoop wordt verstoord. Dit dient ook de rechtszekerheid in het handelsverkeer. De verkoop van een huis moet niet de speelbal van schuldeisers van de verkoper kunnen worden.

Maar wat heeft deze Vormerkung voor betekenis c.q. gevolg voor (andere) schuldeisers van de verkoper? Een schuldeiser van de verkoper (van bijvoorbeeld een (woon)huis) legt vaak beslag op het huis, zodat hij/zij bij verkoop daarvan mee kan delen in de opbrengst bij een overwaarde op het huis. De vraag is of dat meedelen in de overwaarde wel zo voor de hand ligt bij een Vormerkung?

Na Vormerkung (inschrijving koopovereenkomst) werkt een beslag op een huis niet! Het onroerend goed wordt gewoon overgedragen en de overwaarde wordt aan de verkoper door de notaris uitbetaald. De beslaglegger vist zo achter het net.

Is er een oplossing? Ja. De schuldeiser van de verkoper krijgt door de Vormerkung een stukje informatie waar hij/zij ook iets mee kan. Door de ingeschreven koopovereenkomst is de koper van het huis te achterhalen en ook de bij de overdracht van het huis betrokken notaris. Dat is van belang omdat de schuldeiser van de koper andere beslagmaatregelen moet nemen, die niet door de Vormerkung opzij gezet worden. De schuldeiser van de verkoper moet be-slag leggen onder de koper (die moet namelijk de koopsom aan de verkoper betalen en dus ook de overwaarde) en/of de notaris (die moet een ontvangen koopsom – dus ook de over-waarde – aan de verkoper uitbetalen).

Indirect heeft de HR op 6 februari 2009 deze opening geboden en heeft de voorzieningen-rechter te Alkmaar bij vonnis van 30 juli 2009 ook rekening gehouden met dergelijke oplos-singen voor schuldeisers (de beslagleggers) van de verkoper.

go

Per 1 oktober nieuwe regels voor ongevraagde e-mail

Per 1 oktober 2009 zijn de regels met betrekking tot ongevraagde en/of ongewenste e-mail (spam) in de Telecommunicatiewet aangescherpt. Dit kan voor u of uw bedrijf van belang zijn, bijvoorbeeld wanneer u gebruik maakt van een mailing aan uw klanten.

De nieuwe spam-regels in de Telecommunicatiewet behelzen het volgende:

Wanneer u berichten verstuurt, moet de ontvanger:

1. toestemming hebben gegeven;

2. kunnen zien van wie berichten afkomstig zijn;

3. kunnen zien hoe en bij wie hij zich kan afmelden als hij geen prijs meer stelt op ontvangst van deze berichten.

Voor wat betreft het eerste punt (toestemming): de ontvanger moet ‘uitdrukkelijk’ en ‘geïnformeerd’ toestemming geven. ‘Uitdrukkelijk’ betekent bijvoorbeeld dat een ontvanger zelf een kruisje op een (web)formulier moet zetten of 'ja' moet invullen. Een bepaling in de algemene voorwaarden is niet uitdrukkelijk.

Het moet duidelijk zijn waarvoor en aan wie de ontvanger precies toestemming geeft. Hierover moet de ontvanger goed geïnformeerd worden. Brengt u uw klanten bijvoorbeeld maandelijks op de hoogte van nieuws en acties van uw bedrijf, dan moet dat specifiek genoemd zijn. Vage beschrijvingen als 'u geeft toestemming voor de ontvangst van e-mails van dit bedrijf en partners' zijn niet specifiek genoeg. U voldoet dan niet aan het vereiste dat toestemming is gegeven.

Als er eerder een product of dienst is verkocht, dan kan sprake zijn van een klantrelatie.

Aan bestaande klanten kunnen over soortgelijke diensten/producten ongevraagde berichten worden gestuurd zonder dat daarvoor toestemming is verkregen. Wel moet de klant in elke e-mail de mogelijkheid geboden worden om de ontvangst van ongevraagde berichten te weigeren.

Ook is van belang dat e-mails naar het buitenland eveneens aan deze regels moeten voldoen: de regels hebben betrekking op verzenders (zowel de feitelijke verzender als de afzender van het bericht) vanuit Nederland.

En zit u aan de andere kant, en wilt u, als bedrijf of als consument, aangifte doen van ongewenste e-mails die u ontvangt, dan kan dat via www.spamklacht.nl

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen over de nieuwe regels voor ongewenste e-mail, neemt u dan contact op met een van onze medewerkers van de sectie Intellectueel Eigendom of e-mail naar denhartog@kadv.nl.  

go

Sportverenigingen krijgen juridische steun

Een goede dag voor de sport in Kennemerland. Deze week beklonken Teun de Mon van SportSupport aan de ene kant en Marije de Wolf en Anneke den Hartog van Köster Advocaten hun samenwerking. Sportsupport en het advocatenkantoor hebben afspraken gemaakt over juridische ondersteuning van sportclubs in de regio. Die kunnen via Sportsupport een aantal uur juridische hulp krijgen tegen een sterk gereduceerd tarief. Voor de sportverenigingen zal dat de drempel om naar een advocaat te stappen flink verlagen volgens De Mon: "Als clubs nu met een vraag komen is er vaak al van alles gebeurd en staan ze -om in sporttermen te spreken- vaak met 2-0 achter." Bij de sectie Sport en Recht van het Haarlemse Köster merken ze dat ook. "Natuurlijk kunnen we een vereniging bijstaan in een gerechtelijke procedure, maar we hopen echt dat sportclubs ons nu ook sneller zullen inschakelen voor advies" aldus De Wolf. Wat het contract tussen SportSupport en Köster precies inhoudt zal aan de afzonderlijke verenigingen in Kennemerland via een mailing en eventueel een presentatie worden kenbaar gemaakt.

go

Deeltijd WW - nieuwe regeling

Aan u is eerder bericht dat de regeling voor de deeltijd WW werd stopgezet, vanwege het feit dat de limiet is bereikt. Inmiddels heeft Minister Donner besloten het budget voor deze regeling te verhogen naar € 950 miljoen. De regeling wordt echter niet ongewijzigd voortgezet, maar is aangescherpt. Het ministerie geeft aan dat zij wil dat bedrijven zorgvuldiger kijken op welke manier ze gebruik maken van de regeling, opdat meer bedrijven van de tijdelijke regeling gebruik kunnen maken. Daarnaast zijn ook strengere regels voorzien om fraude met de deeltijd WW te voorkomen. De nieuwe regeling geldt voor bedrijven die op of na 23 juli 2009 een aanvraag indienen.

Voor meer inhoudelijke informatie kunt u contact opnemen met een van de advocaten van onze praktijkgroep arbeidsrecht.

go

Limiet Deeltijd WW bereikt

Laatstelijk berichtten wij u van de jongste telg in de crisismaatregelen: de tijdelijke regeling Deeltijd WW. Deze maatregel is inmiddels zodanig succesvol gebleken dat het afgesproken maximum bedrag van 375 miljoen euro is bereikt. Aanvragen die vóór 23 juni 2009 waren ingediend worden door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) nog in behandeling genomen. Minister Donner van SZW bekijkt nog wel of er binnen de beschikbare middelen meer ruimte mogelijk is en op welke wijze de regeling zou kunnen worden voortgezet.

De Deeltijd WW is de opvolger van de bijzondere regeling voor werktijdverkorting (wtv), die op 21 maart 2009 is afgelopen. Voor de bijzondere wtv kwamen alleen bedrijven in aanmerking die met tenminste 30 procent omzetdaling te maken hadden, de deeltijd-WW kan bij elk bedrijf worden afgesproken dat door de crisis wordt getroffen. Werknemers blijven dan in dienst bij het bedrijf, maar worden voor maximaal de helft betaald uit WW-gelden.

Het aanvragen van Deeltijd WW behoort dus niet meer tot de mogelijkheden. Wel zijn er nog tal van andere maatregelen die u kunt treffen om uw onderneming heelhuids door de crisis te manouvreren. De specialisten van onze Praktijkgroep Arbeidsrecht zijn gaarne bereid om hierover met u van gedachten te wisselen. Voor een afspraak kunt u bellen of mailen met mr. M. (Maarten) Tanja (tanja@kadv.nl) of mevrouw mr. N.M.N. (Nienke) Klazinga (klazinga@kadv.nl), beiden bereikbaar via 023 5125 025.

go

Arbeidsovereenkomst verlengd: bepaalde of onbepaalde tijd?

De eerste arbeidsovereenkomst wordt vaak voor bepaalde tijd gesloten. Dit heeft het voordeel dat de overeenkomst na het einde van de afgesproken duur van rechtswege eindigt. Om werknemers ogenschijnlijk wat meer zekerheid te geven, wordt door werkgevers bij aanvang van een dienstverband regelmatig toegezegd dat een werknemer bij een positieve beoordeling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zal worden aangeboden. Over een dergelijke toezegging kan nog wel eens onduidelijkheid ontstaan, die voor werkgevers nadelig kan uitpakken. Een voorbeeld daarvan deed zich voor in een zaak die speelde bij de kantonrechter te Zwolle. Wat was er aan de hand?

Bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kreeg de werkneemster de toezegging, dat de werkneemster bij een positieve beoordeling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen. De werkneemster wordt in een functioneringsgesprek positief beoordeeld.

De dag waarop werkneemsters arbeidsovereenkomst expireert, deelt de werkgeefster haar mee niet tevreden te zijn over haar functioneren. De werkneemster krijgt geen contract voor onbepaalde tijd, maar wordt voor de volgende keuze gesteld: óf een (verlenging van de) arbeidsovereenkomst met een periode van drie maanden óf geen (verlengde) arbeidsovereenkomst. Hierna ontstaat een discussie tussen partijen. De werkneemster beroept zich op het volgens haar al tot stand gekomen contract voor onbepaalde tijd, terwijl de werkgeefster slechts een arbeidsovereenkomst voor drie maanden wil aangaan. De werkneemster aanvaardt dat aanbod van haar werkgeefster niet.

Korte tijd later roept de werkgeefster de werkneemster op haar werkzaamheden te hervatten, hetgeen werkneemster doet. Aan het einde van de drie maanden deelt de werkgeefster mee dat het (tweede) contract voor bepaalde tijd niet wordt verlengd en daags daarna zal eindigen. De werkneemster is het daarmee niet eens en stelt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. De werkneemster begint een procedure bij de kantonrechter te Zwolle en vordert loondoorbetaling.

De kantonrechter werpt de vraag op wat rechtens is nu de werkgeefster slechts bereid was een arbeidsovereenkomst voor een periode van drie maanden aan te gaan, de werkneemster dat aanbod niet heeft aanvaard en werkgeefster de werkneemster nadien heeft opgeroepen haar werkzaamheden te hervatten aan welke oproep werkneemster gehoor heeft gegeven.

Allereerst overweegt de kantonrechter, dat ook op grond van gedragingen van partijen hun toetreding tot een overeenkomst kan worden aangenomen. Nu volgens de kantonrechter was voldaan aan de wettelijke vereisten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst en de werkneemster gehoor had gegeven aan de oproep van de werkgeefster te komen werken, mag volgens de kantonrechter worden geconcludeerd dat partijen een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan. Met dat oordeel was echter nog niet de vraag beantwoord, of het een overeenkomst voor onbepaalde tijd (standpunt werkneemster) of bepaalde tijd (standpunt werkgeefster) betrof. Daarover oordeelde kantonrechter als volgt.

Nu langs de weg van aanbod en aanvaarding geen oplossing van dit vraagstuk kon worden bereikt, dient volgens de kantonrechter de algemene regel te worden toegepast dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand komt indien partijen zich niet over de duur van die overeenkomst hebben uitgelaten of daarover geen overeenstemming hebben bereikt, maar wel aan de vereisten van artikel 7:610 BW is voldaan.

Volgens de kantonrechter voldoet een arbeidsovereenkomst zonder tijdsbepaling, dus voor onbepaalde tijd, geheel aan de definitie van dit artikel. Een partijafspraak met betrekking tot de bepaalde tijd is volgens de kantonrechter dan ook een noodzakelijke voorwaarde om van rechtswege het einde van de overeenkomst na het verstrijken van die tijd te kunnen bewerkstelligen. Kort gezegd: een arbeidsovereenkomst waarbij geen tijdsbepaling is overeengekomen, geldt nu eenmaal voor onbepaalde tijd. De werkneemster werd in het gelijk gesteld.

De les die uit deze uitspraak getrokken kan worden, is dat partijen (zo veel mogelijk) onduidelijkheid moeten voorkomen over de status van een voortgezette arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft in deze zaak het gevolg van die onduidelijkheid pijnlijk moeten ervaren: de door de werkgeefster als arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gewenste vervolgovereenkomst, werd door de kantonrechter aangemerkt als overeenkomst voor onbepaalde tijd waardoor de werkgeefster een fors bedrag aan salaris, wettelijke verhoging en rente moest betalen.

Aarzelt u niet om contact op te nemen met mr. M.W.J. Ariëns (ariens@kadv.nl of 023 - 5125025) of één van onze andere specialisten van de sectie Arbeidsrecht indien u over soortgelijke situaties vragen heeft. Wij zijn u graag van dienst.

 

go

Deeltijd - WW

In het pakket van maatregelen dat de overheid heeft aangekondigd om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden, bevindt zich een voor ondernemers interessante mogelijkheid: de deeltijd-WW. U kunt met deze regeling werknemers behouden, die u anders mogelijk zou moeten ontslaan. De regeling is bedoeld voor bedrijven die voldoende gezond zijn om door de crisis heen te komen, ondanks een tijdelijk tekort aan omzet en orders. Veel bedrijven hebben de behoefte om gespecialiseerde vakkrachten te behouden voor als in de toekomst de vraag weer aantrekt. Als gebruik wordt gemaakt van deze regeling, blijven de werknemers gedurende de deeltijd-WW volledig in dienst bij de werkgever. De werknemers hoeven tijdens de deeltijd-WW niet te solliciteren of een re-integratietraject te volgen. Tijdens de deeltijd-WW verbruiken werknemers opgebouwde WW-rechten. Zij bouwen over de gewerkte uren nieuwe rechten op.

In tegenstelling tot eerdere berichten, is de bijzondere regeling voor werktijdverkorting na 21 maart 2009 niet verlengd. De deeltijd-WW komt hiervoor in de plaats. De werkgevers kunnen voor hun werknemers deeltijd-WW aanvragen na instemming van de vakbonden of een andere vertegenwoordiging van werknemers (afhankelijk van het aantal werknemers). Deeltijd-WW wordt bij de eerste aanvraag toegekend voor drie maanden. Daarna kan twee maal een verlenging met zes maanden worden aangevraagd. De werkgever dient met de werknemersvertegenwoordiging afspraken te maken over scholing en detachering tijdens de periode van deeltijd-WW, net als dat in de regeling voor werktijdverkorting het geval was.

Het uitgangspunt bij deeltijd-WW is dat uw werknemer na afloop van de deeltijd-WW weer volledig voor u gaat werken. Als de werkgever de werknemer toch tijdens de periode van deeltijd-WW ontslaat, moet de werkgever aan het UWV WERKbedrijf de helft van de betaalde werkloosheidsuitkering worden terugbetaald. Dat is ook het geval als de werkgever de werknemer binnen een bepaalde periode na afloop van de deeltijd-WW ontslaat.

Voor meer informatie over de mogelijkheden die deze regeling voor uw bedrijf biedt, kunt u contact opnemen met mr. M. Tanja van onze arbeidsrechtsectie (tanja@kadv.nl of 023 5125 025).

go

Köster Advocaten wint pleitwedstrijden

Alle prijzen naar één kantoor: een ongekende prestatie. Bij de pleitwedstrijden van afgelopen vrijdag 13 maart gingen de advocaten van Köster met de eerste tweede, derde en vierde prijs naar huis.

De pleitwedstrijden vormen een verplicht onderdeel van de advocatenopleiding. Voor een "jury" van twee rechters en de Haarlemse Deken van de Orde van Advocaten moeten de advocaten laten zien hoe ze een pleidooi opbouwen en presenteren. Daarbij wordt ook naar de inhoudelijke structuur en de juridische kwaliteit van het stuk gekeken.

Van de 22 deelnemers dit jaar waren er vier van Köster. Die staken volgens de jury boven de rest uit.

Köster Advocaten is trots op haar advocaten en feliciteert hen van harte met dit mooie resultaat.

go

Ongelukken in de sport: wanneer is de sportclub aansprakelijk?

Een hockeybal tegen het oog, een gebroken been of een vechtpartij in de kantine. Sportclubs hebben regelmatig te maken met claims van leden of ouders van leden, die (direct of indirect) verband houden met de activiteiten van de club.

In het merendeel van de gevallen zal het gaan om een aansprakelijkheid op grond van artikel 6: 162 BW: de onrechtmatige daad. Er is dan enkel aansprakelijkheid als de schade de vereniging kan worden toegerekend. Maar wanneer is nu sprake van toerekenbare schade? Dat sportverenigingen hier soms te licht over denken (met desastreuze gevolgen) blijkt uit het volgende geval, waarbij een deelneemster aan een skeelercursus overleed na een val op haar hoofd.

De organisator van de cursus had haar deelnemers knie- en armbeschermers aangeboden. Dat was verplicht. Een valhelm was niet verplicht, maar "als je er een wilt kun je ze daar pakken", aldus de skeeler-docent (zelf zonder helm). De Hoge Raad oordeelde (in de procedure die ontstond over de schadevergoeding) dat de sportvereniging hier tekort was geschoten. Weliswaar had zij een helm aangeraden, maar dit had zij dringender moeten doen, eigenlijk moeten verplichten. Door enkel de deelneemster op de mogelijkheid van het dragen van een helm te wijzen, was de sportvereniging niet bevrijd van aansprakelijkheid. Ook een beroep op het quit-claim formulier dat alle deelnemers vooraf hadden moeten ondertekenen ("deelname is voor eigen risico") slaagde niet.

Voor sportclubs, of organisatoren van bijvoorbeeld sportreizen, is het dus aan te bevelen hierover vooraf juridisch advies in te winnen. Wij raden aan om (gedrags)regels op te laten stellen voor de sporters (en hun ouders) die met een reis meegaan. Hiermee wordt voorafgaand aan het evenement duidelijkheid gecreëerd en kan persoonlijk leed voorkomen worden.

Hebt u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u reageren? Neem dan contact op met onze sectie Sport & Recht: Marije de Wolf (dewolf@kadv.nl) en Anneke den Hartog (denhartog@kadv.nl)

go

In de serie professionaliseringsslag sportverenigingen: het sponsorcontract

De tijd dat de sportclub het enkel hoefde te hebben van een paar actieve leden die de kantine schilderen en limonade inschonken lijkt voorbij. Veel sportclubs hebben te maken met kledingsponsors, een professionele kantine-uitbater en enorme kosten voor onderhoud van velden of accommodatie. De clubs zijn hierbij –naast de lidmaatschapsgelden- veelal afhankelijk van sponsorinkomsten. In de praktijk blijkt dat hier niet altijd goede afspraken over zijn gemaakt. 

In veel gevallen stelt de sponsor jaarlijks een bepaald bedrag ter beschikking in ruil waarvoor de sponsor reclame mag maken, bijvoorbeeld door middel van een reclamebord langs het veld of vermelding van de naam op het shirt. Deze afspraken worden dikwijls niet formeel in een contract vastgelegd. Sportverenigingen hebben op deze manier weinig controle op hun inkomsten en de continuïteit ontbreekt, wat tot grote problemen kan leiden als bijvoorbeeld de hoofdsponsor er van het ene op het andere moment mee stopt.  

 

Het is dus verstandig het beheer van de sponsorgelden te professionaliseren, bijvoorbeeld door het opstellen van een sponsorcontract en het aanstellen van een aparte sponsorcommissie. Op deze manier kan beter controle worden behouden over de sponsorinkomsten. Betere beheersing van de sponsorgelden maakt het mogelijk te kunnen anticiperen op (toekomstige) veranderingen.  

 

Vanzelfsprekend dienen de sportverenigingen voor wat betreft de inkomsten uit sponsorcontracten, entreegelden en reclameborden, wel te voldoen aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de vrijstellingsgrens voor BTW.  

 

Wilt u meer weten over de mogelijkheden die er zijn om uw sportvereniging een professionaliseringsslag te laten maken? Neemt u dan contact op met een van onze medewerkers van de sectie Sport & Recht: Marije de Wolf (dewolf@kadv.nl) en Anneke den Hartog (denhartog@kadv.nl). 
go

Is de huurder van praktijkruimte vogelvrij?

1. Inleiding

Uit de praktijk blijkt dat veel huurders van bedrijfsruimten zich niet bewust zijn van de hen al dan niet toekomende wettelijke huurbescherming. Deze onwetendheid leidt dikwijls tot verrassingen, zoals onverwachte huurbeëindiging of huurprijsverhoging. Veel van deze verrassingen kunnen echter door het inwinnen van juridisch advies bij het aangaan van de huurovereenkomst voorkomen worden.

2. Onderscheid bedrijfsruimte en overige bedrijfruimte

Voor de mate van huurbescherming is het in de eerste plaats van belang om te bepalen om wat voor soort huurruimte het gaat. In Nederland kent men drie huurregimes: 1. het regime voor woonruimte en 2. het regime voor de zogenaamde "middenstandsbedrijfsruimten" zoals winkels, cafés en restaurants en 3. het regime voor de "overige bedrijfsruimten" zoals praktijkruimte en kantoorruimte.

De bescherming van huurders van woonruimte en middenstandsbedrijfsruimte is in de wet zeer goed geregeld, terwijl de huurder van overige bedrijfsruimte/ praktijkruimte nauwelijks huurbescherming geniet.

3. Huur praktijkruimte nauwelijks beschermd: ontruimingsbescherming

Waaruit bestaat de (geringe) bescherming van de huurder van praktijkruimte? Op grond van de wet komt de huurder van overige bedrijfsruimte slechts zogenaamde ontruimingsbescherming toe. Deze bepaling is van dwingend recht en hiervan mag men niet ten nadele van huurder afwijken. Dit houdt in dat de huurder gedurende twee maanden na de aangezegde datum van ontruiming niet verplicht kan worden gesteld om het pand te ontruimen. Wanneer bijvoorbeeld een huurovereenkomst tegen 31 oktober 2006 wordt opgezegd en tegen dezelfde datum de ontruiming is aangezegd, dan kan de huurder gedurende de maanden november en december 2006 het gebruik van het gehuurde voortzetten.

Is de ontruiming eenmaal aangezegd dan heeft de huurder gedurende twee maanden de tijd om de kantonrechter te verzoeken om de ontruimingstermijn van twee maanden te verlengen. De rechter zal op dit verzoek een belangenafweging uitvoeren: het belang van de verhuurder bij ontruiming van het gehuurde tegenover het belang van de huurder bij voortzetting van het gebruik van het gehuurde. Laat de huurder een verlengingsverzoek aan de rechter achterwege, dan wordt de ontruimingsverplichting na afloop van de twee- maanden- termijn definitief.

4. Aandachtspunten

Op grond van het voorgaande is het voor de huurder van praktijkruimte van belang om zich bij het aangaan van een huurovereenkomst te laten adviseren door een specialist op het gebied van huurrecht. Met name omdat voor praktijkruimte geldt dat partijen terzake de duur van de huurperiode (bepaalde of onbepaalde tijd) en de huurprijs volledig vrij zijn om de af te spreken wat zij willen. Kortom, een doordacht contract maakt meer bescherming mogelijk.

Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met mr F. B. M. Groos van Köster Advocaten te Haarlem, telefoonnummer 023-5125025.

go

Doorstart faillissement Tel Sell BV

Op of omstreeks 5 februari 2008 is na uitgebreide onderhandelingen met de curatoren van Tel Sell BV. een doorstart overeengekomen, waarbij mr. J.J. van Deventer namens Köster Advocaten een rol heeft gespeeld aan de zijde van de kopers. Als gevolg van deze doorstart is een afgeslankt onderdeel van de onderneming voor de toekomst behouden gebleven inclusief de daarmee verbonden werkgelegenheid, en is verder voor de failliete boedel van Tel Sell BV. nog een koopsom ontvangen waarmee het faillissement beter kan worden afgewikkeld dan zonder een doorstart.
go

Herstructurering Groenewoud Vennootschappen

Groenewoud Vennootschappen hebben zich bezig gehouden met de verkoop van vanille, teak en kavels in Costa Rica. Als gevolg hiervan zijn problemen ontstaan die er toe hebben geleid dat met vertegenwoordigers van kopers van vanillie, teak en kavels overeenstemming is bereikt over het uitvoeren van een herstructurering die er toe moet leiden dat deze kopers een financieel direct en eigen belang krijgen als eigenaren van hetgeen ze hebben gekocht te Costa Rica. Op dit moment wordt hard door alle betrokken partijen gewerkt aan de uitvoering van deze herstructurering, waarbij betrokken autoriteiten zoals de AFM van deze herstructurering in kennis zijn gesteld.
go

Laat je merk niet (ver)vallen

Dat Uggs laarzen van authentieke schapenvacht worden gemaakt, dat weten de meeste mensen wel. Maar is dat de reden dat iedereen tegenwoordig Uggs laarzen koopt? Nee, ze worden niet alleen om de productkwaliteit gekocht, maar juist vanwege de symbolische betekenis van het merk, dus gewoon omdat ze Uggs heten. 

Hieruit blijkt maar weer dat de kracht van een merk groot is. Een merk kan van enorme waarde zijn voor een bedrijf. Aan de hand van een merk worden producten en/of diensten herkend en daarnaast kan met een merk gecommuniceerd worden met het publiek, bijvoorbeeld via reclame.  

 

Als merkhouder moet je er wel voor zorgen dat je merk in stand wordt gehouden. Dit doe je door een merk binnen vijf jaar na inschrijving in het merkenregister op commerciële wijze te gebruiken. Dit betekent niet dat het merk op grote schaal geëxploiteerd moet zijn, een gering gebruik kan op zichzelf al voldoende zijn. Doe je dit niet gedurende vijf jaar, dan kan een ander het verval van de merkrechten inroepen en soms zelfs het merk inpikken. Dit lijkt misschien een kwalijke zaak, maar dat is het niet per se: op deze manier wordt voorkomen dat merken die door de merkhouder niet (meer) worden gebruikt, door niemand (meer) kunnen worden gebruikt.

Gezien de waarde die een merk kan hebben zou je denken dat bedrijven er alles aan doen om hun merk in stand te houden. Maar dit blijkt in de praktijk niet altijd het geval. Zo speelde er vorig jaar een zaak over het merk Jansen & Tilanus, een ondergoedmerk sinds 1869. Dit merk stond al sinds 1971 (het begin van het merkenregister) ingeschreven, maar werd al geruime tijd niet meer gebruikt. Een slimme handelaar greep zijn kans en riep het verval van het merk in. De hevig geschrokken merkhouder van Jansen & Tilanus kon hier niets tegen inbrengen: de rechter oordeelde dat hij zijn rechten had verspeeld door het merk langer dan vijf jaar niet op commerciële wijze te gebruiken.  

 

Ook Puma kreeg te maken met verval van een van haar merken. Behalve het bekende logo van Puma, de breed uitlopende band aan de zijkant van de schoen, bezat zij nog een logo, met twee uitlopende banden. Toen concurrent Ferro Footwear met een soortgelijk logo op de markt kwam reageerde Puma onmiddellijk door een beroep te doen op haar internationale merkregistratie met de twee banden. Maar de rechter oordeelde dat deze merkregistratie was vervallen nu Puma onvoldoende had onderbouwd dat, en zo ja hoe zij dit logo (naar eigen zeggen op de Kamino-schoen) had gebruikt.  

 

 

Denk dus niet dat het met de merkrechten wel goed zit zodra het merk is ingeschreven in het merkenregister: het merk moet ook daadwerkelijk gebruikt worden. Ligt het merk langer dan vijf jaar op de plank dan loop je de kans om, net als Jansen & Tilanus en Puma, achter het net te vissen. 

 

Reageren? vanvelzen@kadv.nl (www.kadv.nl)

go

Achtergestelde lening en faillissementsaanvraag

Met enige regelmaat komt het voor dat een directeur – aandeelhouder (dga) geld in zijn of haar onderneming stopt. De aanleiding daarvoor kan zijn dat de financierende bank van de ondernemer verlangt dat hij of zij er ook eigen geld in stopt. Een andere aanleiding kan zijn dat de ondernemingsresultaten het noodzakelijk maken dat er aanvullend kapitaal aan de onderneming wordt beschikbaar gesteld, en meestal doet de bank dat dan niet meer.  Om de onderneming met die kapitaalstorting beter financierbaar te maken wordt dan vaak geroepen dat de lening in de vorm moet plaatsvinden van een achtergestelde lening. Over de precieze voorwaarden van die lening wordt vaak onvoldoende nagedacht. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat de lening helemaal niet ten opzichte van alle crediteuren moet worden achtergesteld maar bijvoorbeeld alleen ten opzichte van een financiering van de bank. Ook is het heel goed mogelijk dat de achtergestelde lening kan worden versterkt met zekerheden die of nog niet aan de bank zijn weggegeven of die in tweede verband worden gevestigd ten gunste van de dga, dus na de bank. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarin de geldgever van de achtergestelde lening niet langer lijdzaam de ondergang van de onderneming hoeft af te wachten. Een geldgever van een achtergestelde lening hoeft ook onder deze omstandigheden niet rechtenloos te zijn. Het kan in het belang van de geldgever met een achtergestelde lening zijn om tijdig zijn of haar positie – in combinatie met die van de bank – uit te winnen, om te voorkomen dat men last heeft van een bodembeslag van de belastingdienst of om een doorstart goed voor te bereiden. Daarvoor is het noodzakelijk dat de vordering op enig moment toch kan worden opgeëist, ook al is zij achtergesteld.  Nog niet zo lang geleden bleek bij een faillissementsaanvraag hoe men zich vergiste in de onmogelijkheid om de achtergestelde lening op te eisen. In die zaak kon de achtergestelde lening dus niet mee doen als een steunvordering bij de faillissementsaanvraag. De oorzaak was een kleine redactionele fout in de voorwaarden van de achtergestelde lening. In de voorwaarden van de achtergestelde lening was namelijk bepaald dat de achtergestelde lening alleen opeisbaar zou zijn bij een liquidatie van de vennootschap. Van een liquidatie van de vennootschap is doorgaans pas sprake na het uitspreken van het faillissement en niet voor die tijd. Aldus was de achtergestelde lening bij de faillissementsaanvraag niet een opeisbare vordering en oordeelde de Hoge Raad dat bij gebreke van steunvordering er geen meerdere schuldeisers waren gebleken die de vennootschap als potentiële failliet onbetaald had gelaten. De faillissementsaanvraag werd afgewezen en men verkeerde in een patstelling.  De voorgenoemde uitspraak van de Hoge Raad heeft geleerd dat je dus ook bij een achtergestelde lening erg nauwkeurig moet zijn in voorwaarden die de achtergestelde lening op tijd opeisbaar maken. Een voorwaarde zou bijvoorbeeld moeten zijn dat ook de achtergestelde lening onmiddellijk en zonder nadere ingebrekestelling opeisbaar is indien zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoet:

 

-een eigen aangifte faillissement,

-en of het aandeelhoudersbesluit daartoe,

-een aanvraag faillissement,

-en of omstandigheden die feitelijk duiden op het beëindigen van de ondernemingswactiviteiten,

-of opzeggen van het krediet door de geldgever is eerste verband (vaak de bank).

 

Indien de geldgever van een achtergestelde lening zijn vordering op tijd opeisbaar kan laten zijn, dan moet hij of zij wel rekening houden met andere omstandigheden bij het geldend maken en of versterken van zijn of haar positie. Daarmee bedoel ik dat er natuurlijk diverse pauliana bepalingen zijn, of schuldverrekeningsbepalingen zijn, waarmee een faillissement zijn schaduw vooruit werpt. Ook daar valt goed mee rekening te houden mits men zich er maar tijdig van bewust is en vooral zich tijdig over de mogelijkheden en onmogelijkheden laat adviseren.
go

Wijziging kantonrechtersformule bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst

De afgelopen jaren hebben de kranten er al vol mee gestaan; de wijziging van de ontslagvergoeding. Nu is het zover. De Kring van Kantonrechters, het overlegorgaan van kantonrechters, degenen die de vergoedingen toekennen, heeft deze maand besloten de gehanteerde formule aan te passen. Hierbij zij overigens wel opgemerkt dat de formule slechts een richtlijn is die niet bindend is. Uiteindelijk blijven individuele kantonrechters dus vrij in hun beoordeling. In het verleden is echter gebleken dat de meeste kantonrechters de formule toepassen. Het is dus de verwachting dat dit zo zal blijven.

 

Voor wie?

De formule zal toegepast worden bij ontbindingsverzoeken die op of na 1 januari 2009 worden ingediend. Op verzoeken die voor die tijd zijn ingediend is de oude formule nog van toepassing. Niet relevant daarbij is op welke datum de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk eindigt of op welk moment de zitting plaatsvindt. Bij het bepalen van het indieningsmoment van het verzoek, is het dus verstandig uit te rekenen wat de vergoeding volgens de nieuwe en de oude formule zal zijn. Het kan zinvol zijn een maand te wachten met indiening.

 

Wat verandert er?

De formule luidt AxBxC. A is het aantal dienstjaren, B is de beloning (maandsalaris) en C is de correctiefactor.

 

De meest in het oog springende verandering is de wijze waarop de dienstjaren berekend worden. Voorheen werden alle dienstjaren voor de 40ste verjaardag enkel geteld, die tussen 40 en 50 voor anderhalf en na 50 dubbel. De staffel zal na 1 januari a.s. anders zijn. Dienstjaren tot de 35-jarige leeftijd tellen voor een half, tussen 35 en 45 voor één, tussen 45 en 55 voor anderhalf en boven 55 voor twee. De hoogte van de vergoeding zal daardoor in veel gevallen lager worden dan voorheen.

 

Verder hebben de kantonrechters besloten dat de arbeidsmarktpositie van de werknemer een belangrijker rol gaat spelen bij de beoordeling. Wanneer duidelijk is dat de werknemer gemakkelijk aan een nieuwe baan zal kunnen komen, is dat aanleiding de vergoeding naar beneden bij te stellen. Wanneer het juist lastiger dan normaal is, zal de vergoeding omhoog gaan. Ook de financiële positie van de werkgever zal van groter betekenis worden. Wanneer het binnen een onderneming slecht gaat, zal dit eerder dan voorheen aanleiding geven een lagere vergoeding toe te kennen. Dergelijke factoren zullen in de hoogte van de C-factor tot uidrukking worden gebracht.

 

Maximale hoogte vergoeding

Naast voormelde wijziging, heeft de ministerraad besloten tot indiening van een wetsvoorstel dat de maximale hoogte van de vergoeding moet reguleren. Dit voorstel is echter nog niet geaccepteerd door de Tweede en Eerste Kamer, zodat dit (nog) niet in werking is getreden. De voorgestelde wijziging maakt dus geen deel uit van de wijzigingen in de formule waartoe de Kring van Kantonrechters heeft besloten. Vooralsnog geldt derhalve geen maximale hoogte van de vergoeding.

   
go

Verkeersovertredingen van werknemers

Veel werknemers moeten in het kader van de door hen ten behoeve van hun werkgever uit te voeren werkzaamheden reizen. Een aantal doet dat met het openbaar vervoer. Veel gebruiken daarvoor de auto. Werkgevers stellen daarvoor regelmatig een auto ter beschikking als lease- of bedrijfsauto.

Door bestuurders in Nederland wordt regelmatig te hard gereden. Soms worden dergelijke snelheidsovertredingen bekeurd. Om de administratie van politie en justitie te beperken, is enkele jaren geleden de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersovertredingen (WAHV) in het leven geroepen. Op grond van deze wet wordt de boete opgelegd aan de kentekenhouder. Deze kentekenhouder heeft vervolgens slechts via het civiele recht de eventuele mogelijkheid de boete te verhalen op de werkelijke bestuurder. Hij kan jegens het CJIB niet (meer) aan de boete ontkomen door te stellen dat hij niet de werkelijke bestuurder was op het moment dat de overtreding wordt begaan.

Ten gevolge van de inwerkingtreding van de WAHV, komen de boetes die worden opgelegd voor verkeersovertredingen begaan in lease- of bedrijfsauto’s voor rekening van de werkgever. Deze kan jegens het CJIB niet aan de boete ontkomen door de werknemer aan te wijzen als werkelijke bestuurder. Hij kan alleen proberen aan de boete te ontkomen door deze via het burgerlijke recht op de werknemer te verhalen.

In het burgerlijke recht wordt de werkgever echter geconfronteerd met artikel 7:661 BW, welk artikel stelt dat schade die tijdens de uitoefening van de werkzaamheden wordt veroorzaakt, slechts voor rekening van de werknemer komt als sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.

In 2003 heeft een chauffeur van TPG Post een procedure aangespannen tegen zijn werkgever omdat TPG verkeersboetes altijd verhaalde op haar werknemers. Deze chauffeur was het daar niet mee eens en deed een beroep op het hiervoor genoemde artikel 7:661 BW.

In 2006 heeft het Gerechtshof Den Haag geoordeeld dat verkeersboetes door de werkgever niet in alle gevallen op de werknemer verhaald mogen worden. Dit zou alleen mogen wanneer er sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid bij het begaan van de overtreding. Het Hof gaf aan dat daarvan in beginsel sprake was wanneer een werknemer een snelheidsovertreding van meer dan 10 km/u begaat waar 50 km/u toegestaan is.

Op grond van deze uitspraak hebben veel werkgevers sindsdien hun beleid aangepast door slechts boetes te verhalen voor overtredingen die aan dit criterium voldoen.

Afgelopen zomer heeft de Hoge Raad, de hoogste rechter in Nederland, zich over deze zaak uitgelaten. De Hoge Raad was het niet eens met het Hof in Den Haag en heeft geoordeeld dat verkeersboetes altijd op de werknemer verhaald mogen worden, ongeacht of sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid. Kortom, ongeacht de ernst van de overtreding en de mate van snelheidsoverschrijding, de werknemer blijft daarvoor uiteindelijk aansprakelijk.

go

Camera in winkel: Ook de winkelier moet op zijn hoede zijn

Het wordt eigenlijk al heel normaal gevonden: camera’s in het straatbeeld, bij de pinautomaten, in de supermarkt, en ook in de kledingzaak. Een aantal jaar geleden zou deze Big-Brother tendens waarschijnlijk nog op veel weerzin hebben gestuit van het publiek, maar inmiddels lijken maatregelen om de veiligheid te vergroten zwaarder te wegen dan de privacy en is er zelfs begrip voor de winkelier die een camera ophangt in zijn winkel, omdat hij steeds een deel van zijn omzet ziet verdampen door diefstal. Daarbij blijkt cameratoezicht niet alleen te helpen bij de opsporing (uit de cijfers blijkt dat meer overtredingen en misdrijven worden opgelost met gebruik van camerabeelden: de daders worden gepakt) maar gaat er ook een preventieve werking vanuit: er wordt minder gestolen als er camera’s hangen. Voor winkeliers dus alleen maar voordelen om een camera op te hangen. Althans, zo lijkt het. Maar wie een camera in zijn winkel wil hangen zal toch rekening moeten houden met de volgende do’s en don’ts, anders riskeert hij of zij zélf gevangenisstraf.

Om te beginnen maakt het recht een verschil tussen een losse (hand)camera en een aangebrachte camera. Maak je gebruik van een aangebrachte (opgehangen) camera, in het zicht of uit het zicht, dan moet je dit aan het publiek duidelijk kenbaar maken, bijvoorbeeld met een bordje bij de ingang waarop staat dat er gebruik wordt gemaakt van cameratoezicht, of een monitor waarop je jezelf de winkel in ziet gaan. Doe je dit niet, of niet duidelijk genoeg, dan staat daar een boete of zelfs twee maanden hechtenis op. En camera’s in de pashokjes zijn niet toegestaan.

Hoe lang mag je de beelden bewaren? De regel is: niet langer dan nodig. In een winkel zal het doorgaans niet noodzakelijk zijn camerabeelden langer dan 24 uur te bewaren. Als er op de camerabeelden een diefstal of ander strafbaar feit te zien is, dan mogen de beelden net zolang bewaard worden tot de zaak is afgehandeld. Maar de politie bewaart de beelden dan, en niet de winkelier.

Wat mag een winkelier zelf met de beelden die hij heeft gemaakt? Niet veel. In ieder geval is het niet toegestaan om een foto van een dief in de winkel op te hangen, met als doel preventie en het aan de schandpaal nagelen van de dief. Deze kwestie speelde in 2004; toen had een sigarenboer een foto had opgehangen van een vrouw die (volgens de winkelier voor de zoveelste keer) tijdschriften uit zijn zaak zou hebben gestolen. De rechter oordeelde dat dit te ver ging: niet de winkelier of het publiek, maar de rechtbank hoort te bepalen of iemand schuldig is. Kamervragen die volgden op de uitspraak zorgden ervoor dat de winkelier niet helmaal buiten spel wordt gezet: hij mag de foto niet ophangen in zijn zaak, maar mag hem (onder omstandigheden) wel gebruiken om zijn personeel voor de dief te waarschuwen

go

Ouderschapsverlof en de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA)

Iedere werknemer, die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft recht op ouderschapsverlof zonder behoud van loon. Bij meerdere kinderen bestaat dit recht ten aanzien van ieder van die kinderen. Het verlof kan worden opgenomen nadat de arbeidsverhouding ten minste een jaar heeft geduurd en totdat het kind acht jaar is geworden.


De werknemer heeft recht op maximaal dertien maal de arbeidsduur per week. Dus bij een arbeidsduur van 36 uur per week bedraagt het verlof in totaal 36 x 13 = 468 uur. In principe wordt het verlof per week opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden. Daarbij geldt dat het aantal uren verlof per week maximaal de helft van de arbeidsduur per week mag zijn.


De werknemer kan de werkgever verzoeken om het verlof op een andere manier op te nemen; bijvoorbeeld verlof voor een langere periode dan zes maanden of voltijds verlof gedurende 13 weken achter elkaar. De werkgever is in principe verplicht dit verzoek van de werknemer in te willigen, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet. Een dergelijk zwaarwegend belang wordt echter niet snel aangenomen. Het Hof Den Haag vond de bezwaren van een werkgever tegen het verzoek van een werknemer om het ouderschapsverlof te verspreiden over bepaalde dagen en uren, onvoldoende zwaarwegend nu de werkgever niet aannemelijk kon maken dat het tot onaanvaardbare problemen binnen de organisatie zou leiden.


Veelal wordt de periode van ouderschapsverlof gevolgd door een verzoek van de werknemer tot permanente arbeidsduurvermindering op grond van de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA). De werkgever mag ook dat verzoek slechts weigeren indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet. Wederom wordt een zwaarwegend belang niet snel aangenomen. In de rechtspraak is bepaald dat in ieder geval niet als zwaarwegend belang wordt aangenomen: vrees voor overdrachtsproblemen, toename overleguren, ‘noodzaak’ dat functie fulltime moet worden uitgevoerd terwijl dit ook als duobaan kan, verlies van specifieke kennis, hogere werkdruk en administratieachterstanden.


Als werkgever zult u dus uitgebreid moeten motiveren en onderbouwen waarom er in het concrete geval sprake is van een dermate zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang dat het verzoek van de werknemer mag worden afgewezen.


Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebben over het ouderschapsverlof, de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA) of andere vragen over het arbeidsrecht, neem dan contact op met één van de specialisten van onze sectie Arbeidsrecht.

go

Inlichtingen bij sollicitatie

 

Het is een probleem dat iedere werkgever kent: hoe weet je dat de potentiële werknemer, die in een sollicitatiegesprek geknipt lijkt voor de functie, daadwerkelijk geschikt is? Immers, de werknemer kan zich in een gesprek betrouwbaar voordoen, maar in werkelijkheid al het vertrouwen van menig werkgever hebben beschaamd. In beginsel heeft de werknemer een mededelingsplicht met betrekking tot de vragen die hem worden gesteld. Hier tegenover staat een onderzoeksplicht van de werkgever, die op zijn beurt dient te onderzoeken in hoeverre de werknemer daadwerkelijk gekwalificeerd is. Het uitgangspunt bij een sollicitatiegesprek, is dat de mededelingsplicht van de werknemer in beginsel zwaarder weegt dan de onderzoeksplicht van de werkgever. De omvang van deze mededelingsplicht was onlangs aan de orde in een geschil tussen een werkgever en een werknemer, dat aanhangig was gemaakt bij de rechtbank Amsterdam (JAR 2008/116).

De werknemer had in zijn sollicitatiegesprek desgevraagd aangegeven dat er geen bijzonderheden te melden waren met betrekking tot zijn arbeidsverleden en dat hij bovendien nog nooit met politie en justitie in aanraking was gekomen. Twee weken later kwam de werkgever erachter, dat de werknemer inlichtingen had verzwegen. De werknemer was namelijk in 1996 op staande voet ontslagen vanwege het ongeoorloofd in privé ontvangen van bepaalde voordelen van klanten van zijn voormalig werkgever. Zodra dit aan het licht kwam, heeft de nieuwe werkgever hem op staande voet ontslagen. De werknemer heeft de nietigheid van dit ontslag op staande voet ingeroepen.

De rechtbank te Amsterdam heeft geoordeeld dat de werknemer openheid van zaken had moeten geven. De verzwegen inlichtingen wegen voor een werkgever dermate zwaar, dat de werknemer gehouden is dergelijke zaken mee te delen bij sollicitatie. De werknemer had het belang van deze feiten voor de nieuwe werkgever moeten begrijpen. Het ging de rechtbank echter te ver om het ontslag op staande voet in stand te houden. Zij oordeelde dat het geven van valse inlichtingen in deze situatie onvoldoende aanleiding vormde voor een ontslag op staande voet. Wel is de rechtbank van mening dat het ontslag zich volledig in de risicosfeer van de werknemer bevindt. De rechtbank gaat dan ook over tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding.

go

Aanbestedingsrecht en rechtsbescherming

Deelnemers aan een aanbestedingsprocedure hebben het recht om binnen een redelijke termijn na bekendmaking van het voorgenomen gunningsbesluit bezwaar te maken, in de regel middels een kort geding.  Op grond van rechtspraak wordt uitgegaan van een termijn van 15 dagen, ook wel de Alcatel-termijn genoemd. Maar wat nu indien een deelnemer reeds op voorhand of hangende de aanbestedingsprocedure bezwaren heeft, bijvoorbeeld tegen de inschrijvingsvoorwaarden of tegen de gunningscriteria zoals opgenomen in het bestek? Kan deze (aspirant)deelnemer op grond van voornoemde Alcatel-termijn wachten met het bekend maken van zijn bezwaar tot na bekendmaking van het voorgenomen gunningsbesluit of moet de (aspirant) deelnemer eerder actie ondernemen?

In het Grossmann arrest heeft het Europese Hof van Justitie bepaald dat een partij die bezwaar heeft tegen een aanbestedingsprocedure zo snel mogelijk zijn bezwaren kenbaar dient te maken, in het bijzonder in het stadium waarin onrechtmatigheden nog ongedaan kunnen worden gemaakt. Indien men de aanbestedende dienst pas in rechte betrekt wanneer de uitkomst van de aanbesteding bekend wordt gemaakt, dan kan het zo zijn dat de rechter oordeelt dat hiermee de adequate en effectieve toepassing van de aanbestedingsregels onnodig wordt belemmerd. Indien mogelijk dient men dus snel en doeltreffend in actie te komen

Het verdient dan ook aanbeveling om uw bezwaren tegen de gang van zaken in een aanbestedingsprocedure in een zo vroeg mogelijk stadium kenbaar te maken en niet af te wachten totdat het voorgenomen gunningsbesluit bekend wordt gemaakt.

go

Erven Endstra krijgen gelijk van de Hoge Raad

Persbericht: 30 mei 2008Tijd: 10.15 uurUitgegeven door: Köster Advocaten, HaarlemContactpersonen: Margot Span, Hans Koets (023 -5125 025) 
 Erven Endstra krijgen gelijk van Hoge Raad De zogenoemde achterbankgesprekken, die de vermoorde Willem Endstra met de politie voerde, en die integraal zijn opgenomen in het boek “De Endstra Tapes”, zijn mogelijk toch auteursrechtelijk beschermd. Met die conclusie kwam de Hoge Raad (het hoogste rechtscollege van Nederland) vanochtend. Daarmee heeft hij de uitspraak van het Amsterdamse Gerechtshof in deze zaak vernietigd. Het Hof had aangegeven dat de achterbankgesprekken weliswaar origineel waren, en ook het persoonlijk stempel van de maker droegen (wat vereist is voor auteursrechtelijke bescherming), maar had een extra vereiste toegevoegd, namelijk dat Willem Endstra er ook bewust voor had moeten kiezen om zijn verhaal in deze vormgeving te gieten. Volgens de Hoge Raad is de toevoeging van dit extra criterium niet juist. Het Hof had zich bij de vraag of er sprake is van auteursrecht op de achterbankgesprekken moeten beperken tot het bepalen of er sprake is van een eigen oorspronkelijk karakter en een persoonlijk stempel van de maker. De advocaten van de erven Endstra, Hans Koets en Margot Span (beiden van Köster Advocaten uit Haarlem) zijn verheugd met de uitspraak. Volgens hen is de uitspraak van de Hoge Raad in lijn met hoe het auteursrecht tot nu toe is toegepast. Met de uitspraak van de Hoge Raad is de zaak nog niet afgelopen. Het Hof mag nu, met het oordeel van de Hoge Raad in de hand, de zaak opnieuw bekijken. << 
   Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Hans Koets, Margot Span of Anneke den Hartog van Köster Advocaten (www.kadv.nl) tel. 023 - 5125 025.

 

go

Software: bij wie liggen de auteursrechten?

Wie een nieuw computersysteem bouwt of laat bouwen wil natuurlijk graag dat de software daarvoor beschermd is. Want dan kan worden opgetreden tegen anderen die er met de software vandoor (dreigen te) gaan. Maar op welke manier kan de software dan beschermd worden? En wie is de rechthebbende? Daar is dikwijls veel onduidelijkheid over.

Software is auteursrechtelijk beschermd, mits de software een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Ofwel: de software moet origineel zijn. Dit zal bij veel computersystemen het geval zijn:immers veel software bestaat uit meer dan het enkel samenvoegen van al bestaande software, en zelfs dan nog: ook de (nieuwe) combinatie van reeds bestaande software kan zorgen voor een origineel karakter en het persoonlijk stempel van de maker. Hiermee is het eerste deel van het vraagstuk behandeld.

Maar dan rest nog de vraag bij wie de auteursrechten liggen. Veel opdrachtgevers denken dat de auteursrechten vanzelfsprekend bij hen liggen. Immers, zij hebben de opdracht gegeven aan bijvoorbeeld een IT-bedrijf, en zij hebben voor die opdracht betaald. In praktijk maken wij regelmatig mee dat er een ondertekende overeenkomst bestaat waarin de opdracht tot ontwikkeling van de software is omschreven, wat de afgesproken prijs is en wanneer deze moet worden betaald. De opdrachtgever denkt dat hij de zaak hiermee goed heeft geregeld.

In het auteursrecht wordt echter in het gros van de gevallen de daadwerkelijke ontwikkelaar (de IT-er) als ‘maker’ beschouwd, en niet de opdrachtgever. Dit komt voor de opdrachtgever vaak onverwacht en kan tot problemen leiden als hij (de opdrachtgever) het computersysteem uiteindelijk wil verkopen.

Het is daarom verstandig om heldere afspraken te maken over de Intellectuele Eigendomsrechten (bijvoorbeeld dat wanneer het systeem klaar is, de auteursrechten worden overgedragen), en deze afspraken in het contract op te nemen, of in een akte van overdracht.

go

Aansprakelijkheid van de werknemer

Een werknemer kan niet altijd 'zomaar' opzeggen

Stel u bent werkgever en u heeft uw werknemer net een dure cursus laten doen en u heeft gezamenlijk mooie plannen gemaakt voor de toekomst. En stel dat de werknemer de arbeidsovereenkomst kort daarna opzegt, kunt u dan de schade verhalen op de werknemer? Ja, in principe wel zegt de kantonrechter te Breda[1].

De werkneemster in kwestie had de indruk gewekt dat zij nog minstens 2 jaar voor de werkgever zou werken. Onder die omstandigheden vond de kantonrechter de opzegging onredelijk. Hij liet het belang van de werkgever zwaarder wegen dan dat van de werknemer.

De werkgever kreeg echter niet alle schade vergoed. De werkgever eiste dat alle gepleegde investeringen moesten worden vergoed maar dat vond de rechter een verkeerde maatstaf. De rechter bepaalde de schadevergoeding op 3 maandsalarissen (vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten).

De belangrijkste les is uiteraard dat een goede schriftelijke studiekostenregeling onontbeerlijk is. En ook dat een op het oog simpele regeling soms dus maatwerk moet zijn. Niet onbelangrijk is verder dat een vordering als deze binnen een half jaar verjaart!

go

Echtscheiding en kapitaal- of levensverzekeringen

Inleiding

Bij een echtscheiding moet er veel geregeld worden, ook in financieel opzicht. Alimentatie is een belangrijk punt. Immers, er moet verder geleefd worden en leven kost nu eenmaal geld. Echter, ook de verdeling of verrekening van vermogen is belangrijk. U denkt dan gelijk aan de verdeling van de echtelijke woning. Een groot probleem is immers hoe om te gaan met de overwaarde in de woning.

Wat vaak minder belangrijk wordt gevonden is de verdeling van de opgebouwde polissen, die niet onder de Wet Verevening Pensioenrechten vallen.

Kapitaal- of levensverzekeringen

Deze polissen lopen vaak al lang en er is veel premie voor betaald. Ik denk bijvoorbeeld aan:
- De kapitaalverzekering gekoppeld aan de hypotheek, waarvan de premie ofwel in termijnen betaald moet worden, ofwel vanuit depot worden betaald. Ook al is deze premie niet aftrekbaar, dient er wel vanuit fiscaal oogpunt goed naar gekeken worden. Vaak wordt vergeten, vanwege het feit dat de betaalde premies niet aftrekbaar zijn, dat – indien de polis nog niet 15 jaar loopt – er Inkomstenbelasting betaald moet worden over het verschil tussen de afkoopwaarde en de som van de betaalde premies. Dit wordt vaak vergeten omdat het meestal pas aan de orde komt bij het opmaken van aangifte Inkomstenbelasting (dus pas in maart van het volgend jaar), zodat u dan nog op een probleem kunt stuiten, indien daaraan niet bij de verdeling/verrekening is stilgestaan.
Indien de polis door een van beide partijen wordt voorgezet, dient gekeken te worden op welke wijze de polis voor de echtscheiding dient te worden gewaardeerd. Van belang hierbij is tevens af te vragen of de polis na de echtscheiding wel in dezelfde box (1 of 3) blijft.
- De “gewone” kapitaalverzekeringen. Deze verzekeringen hebben vaak de mooiste namen en zijn veel al afgesloten als studieverzekering voor de kinderen. Van groot belang is dan wie de verzekeringnemer, de verzekerde en de begunstigde is. Het is helaas realiteit dat ex-echtelieden vaak pas jaren later beseffen, dat het kind niet de begunstigde is, maar de ex!
- Een levensverzekering op basis van lijfrente, waarbij de maandelijkse premie veel al aftrekbaar is en er op de overeengekomen einddatum een bedrag beschikbaar komt. U wordt geacht van dit bedrag een lijfrente (=periodieke uitkering) te kopen, ofwel bij de verzekeringsmaatschappij waarbij u de levensverzekering had afgesloten, ofwel bij een andere verzekeringsmaatschappij.

Belangrijk is echter dat er in het kader van de echtscheiding vaak meer mogelijkheden zijn dan de verzekeringsmaatschappijen zelf voorstellen.

Ook zelfs indien alle polissen op naam van de ene echtgenoot staan, zijn er mogelijkheden. Gedacht kan worden aan toedeling van een polis aan bijvoorbeeld de vrouw (op wier naam de polis niet staat) middels onherroepelijke intrekking door de man aan de levensverzekeringsmaatschappij van de eerste begunstiging van de polis. De hieraan verbonden kosten zijn gering en de opgebouwde waarde gaat niet verloren.

go

Concurrentiebeding en het schriftelijkheidsvereiste

Een concurrentiebeding is een afspraak tussen een werkgever en een werknemer waarbij de werknemer toezegt om na het einde van de arbeidsovereenkomst zijn (dan voormalige) baas niet te beconcurreren. Zo kan een ondernemer verhinderen dat zijn ex-personeel gedurende een bepaalde periode bij de concurrent in dienst treedt of als zelfstandige gaat werken met de kennis en ervaring die hij bij zijn voormalige baas heeft opgedaan.

Een concurrentiebeding moet volgens de wet altijd schriftelijk worden vastgelegd. Tot voor kort was de regel dat dit per se in de arbeidsovereenkomst moest gebeuren.

Onlangs heeft de hoogste rechter in Nederland, de Hoge Raad, echter beslist dat een concurrentiebeding ook geldig kan zijn wanneer in een arbeidsovereenkomst of in een brief wordt verwezen naar een bijgevoegd personeelsreglement of arbeidsvoorwaardenreglement, waarin een concurrentiebeding opgenomen is.

De arbeidsovereenkomst of brief moet wel door de werknemer voor akkoord zijn ondertekend en de werknemer moet een exemplaar van de arbeidsvoorwaarden of het reglement ontvangen hebben. Door ondertekening van de brief of arbeidsovereenkomst erkent de werknemer dat hij kennis heeft genomen van het concurrentiebeding zoals dat op schrift aan hem ter hand gesteld is en dat hij daarmee instemt.
 
Voor de geldigheid van het concurrentiebeding is niet vereist dat de bijgevoegde arbeidsvoorwaarden waarnaar in de arbeidsovereenkomst of begeleidende brief verwezen wordt, zelf door de werknemer zijn ondertekend. Ook is volgens de Hoge Raad niet vereist dat in de arbeidsovereenkomst of brief expliciet vermeld wordt dat in het personeelsreglement een concurrentiebeding opgenomen is.

go

Het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel

Een model is beschermd als het is ingeschreven in het register, bijvoorbeeld bij het Gemeeschapsmodellenregister OHIM. Deze registratie zorgt ervoor dat de rechthebbende zich kan beroepen op het Modellenrecht, dat een grote en sterke bescherming biedt tegen inbreukmakers. Maar zo'n registratie is duur en kost tijd: voordat het merk is opgenomen in het register is dikwijls een paar maanden verstreken. In sommige gevallen is het dan nog maar de vraag of een merkinschrijving nuttig is. Bijvoorbeeld bij producten die een zeer snelle omloopsnelheid hebben, zoals speelgoed en kleding, gaat het juist om bescherming meteen vanaf het begin (als het product ‘in de mode is') en is bescherming op de lange duur geen noodzaak. De dure registratie waarop de rechthebbende zich pas na enige tijd kan beroepen komt dan als mosterd na de maaltijd.

Voor deze gevallen is een oplossing bedacht: het Niet-Ingeschreven Gemeenschapsmodel, afgekort N.I.G.. In onze praktijk blijkt dat het N.I.G. vooral voor de modebranche van betekenis kan zijn. Een model is ook zonder inschrijving gedurende drie jaar beschermd, mits het om een "nieuw" model gaat met een "eigen karakter". Wel moet in gedachten worden gehouden dat het hier weliswaar om een vormvrije, maar beperktere bescherming gaat dan bij een ingeschreven model. De rechthebbende kan met zijn N.I.G. alleen optreden tegen identieke namaak. Daarbij is niet altijd helder wanneer de beschermingstermijn is gaan lopen, en ook wat nu precies onder "nieuw" en een "eigen karakter" moet worden verstaan kan onduidelijk zijn. Wij kunnen u hierin adviseren.

go

Arbeidsongeschikte zelfstandigen voortaan verzekerd?

Voor vrouwelijke zelfstandigen wordt het binnenkort mogelijk door middel van een wettelijk recht, aanspraak te maken op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering van minimaal 16 weken. De hoogte van deze uitkering zal voortvloeien uit de Zelfstandig en Zwanger-regeling (genoemd de ZEZ-regeling) en hangt af van de inkomsten van de zelfstandige in het jaar dat de uitkering wordt uitgekeerd. De uitkering bedraagt € 1.317 bruto per maand. De ministerraad heeft hiertoe een besluit genomen naar aanleiding van een voorstel van minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De voornaamste reden dat de ministerraad tot deze regeling wenst te komen ligt in de bescherming van moeder en kind. Veel vrouwelijke zelfstandigen maken namelijk geen gebruik van de bestaande mogelijkheid om zich te verzekeren tegen inkomstenverlies door zwangerschap en bevalling. Deze particuliere verzekeringen kennen namelijk een aantal beperkingen. Voornamelijk berust een beperking in het feit dat de verzekering alleen is af te sluiten in combinatie met een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ook kennen veel verzekeraars een wachttijd van bijvoorbeeld 2 jaar.

De nieuwe wettelijke regeling vermindert de financiële noodzaak voor zelfstandigen om tijdens de zwangerschap lange tijd door te werken en na de bevalling weer snel te beginnen.

In een eerder stadium had de Rechter al vastgesteld dat de regering op grond van internationale verplichtingen geen plicht heeft om met een regeling te komen voor zwangere zelfstandigen. De regering heeft echter wel actie ondernomen en is overgegaan tot het opstellen van het wetsvoorstel. Thans ligt het wetsvoorstel voor advies bij de Raad van State. De beoogde invoeringsdatum van deze wet zal waarschijnlijk 1 juli 2008 zijn. De wet wordt uitgevoerd door het UWV en wordt betaald uit algemene middelen.

go

Matiging of nihilstelling van alimentatie op grond van grievende gedragingen van de alimentatiegerechtigde

Inleiding

Voor een alimentatieplichtige bestaat de mogelijkheid om aan de rechter te vragen de alimentatie op nihil te stellen op grond van de omstandigheid dat de gedragingen van de alimentatiegerechtigde jegens hem zodanig grievend zijn dat het, gelet op de redelijkheid en billijkheid, ongeoorloofd is om nog langer aan de alimentatieverplichting te voldoen.

Partneralimentatie

Bij partneralimentatie kan bij het bepalen van de hoogte van de alimentatieverplichting aan de orde komen of de alimentatie al dan niet op nihil kan worden gezet wegens kwetsend gedrag van de alimentatiegerechtigde. De rechter zal zich echter in dit verband over het algemeen zeer terughoudend opstellen. Met andere woorden: er moet heel veel aan de hand zijn, wil de alimentatieverplichting stopgezet worden.

Voorbeeld

In een bepaalde zaak zijn een huisarts en zijn vrouw van elkaar gescheiden en heeft de rechter een alimentatieverplichting aan de huisarts opgelegd. Op een zekere nacht slaat de vrouw de huisarts met een scherp voorwerp in zijn gezicht en bekrast zij bovendien zijn auto. De vrouw krijgt voor vernieling en zware mishandeling een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. De huisarts ontwikkelt door het voorval een posttraumatisch stresssyndroom waardoor hij gedurende geruime tijd arbeidsongeschikt raakt.

In dit geval is de door het huwelijk ontstane lotsverbondenheid naar het oordeel van de rechter geheel verloren gegaan door het grievende gedrag van de vrouw. De gedragingen van de vrouw zijn door de huisarts als zeer schokkend en ingrijpend ervaren, waardoor een onherroepelijk einde is gemaakt aan de alimentatieverplichting van de huisarts.

Kinderalimentatie

In het geval van kinderalimentatie bestaat voor
de rechter de mogelijkheid om de alimentatie te matigen. Het moet gaan om zodanige gedragingen van een meerderjarig kind dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet langer gehele of gedeeltelijke betaling van de alimentatie kan worden verlangd. De matiging is dus alléén mogelijk indien het een onderhoudsbijdrage ten behoeve van een meerderjarig kind betreft. Het zal dus moeten gaan om de kosten voor levensonderhoud en studie. Overigens kan ook de grievende of kwetsende gedraging van iemand anders dan het meerderjarige kind zelf aanleiding geven tot het stopzetten of verminderen van de alimentatieverplichting.

Voorbeeld

In een zaak heeft zowel in de relatie meerderjarig kind // vader als in de relatie partner van het kind // vader lijfelijk geweld plaatsgevonden alsmede bedreigingen, waarbij het initiatief niet bij de vader lag. Vervolgens heeft het kind geen contact meer met de vader gezocht. Verder heeft het kind verzwegen dat zij met haar studie was gestopt, dat zij inmiddels eigen inkomsten uit arbeid had en dat zij was gaan samenwonen met de partner die betrokken was bij de escalaties met de vader. Naar het oordeel van de rechter kan als gevolg van zodanige gedragingen van het meerderjarig kind, welke psychische spanningen bij de vader hebben veroorzaakt, niet worden verlangd dat de vader het kind nog ten volle het levensonder-houd verstrekt. Opmerking verdient dat een rechter niet snel zal matigen. In dit geval werd de onderhoudsverplichting van de vader uiteindelijk met 1/3 gematigd.

Tot slot

Tot zover een beknopte bespreking betreffende de matiging of nihilstelling van alimentatie op grond van grievend gedrag van de alimentatiegerechtigde.

Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebben over vakantiedagen of andere vragen over het arbeidsrecht, neem dan contact op met een van de specialisten van onze sectie Personen- en Familierecht/Erfrecht.

go

Klachten bij gebreken aan pas gekochte woning

Bij gebreken aan de woning dient de koper binnen een redelijk bekwame tijd bij verkoper te klagen: wanneer is koper nog op tijd?

In de maand oktober 2007 heeft onze sectie vastgoed – naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad – nog gewezen op specifieke verjaringsproblematiek bij vastgoedtransacties. Uit het bewuste artikel volgt dat vorderingen tot schadevergoeding snel verjaren: wanneer het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt dient de koper namelijk op straffe van verval van alle rechten binnen twee jaar een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Deze tweejaarstermijn begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de koper beklag bij verkoper heeft gedaan.

go

Werkgeversaansprakelijkheid voor verkeersongevallen

In de meeste gevallen zal de werkgever aansprakelijk zijn, indien de werknemer onder werktijd een ongeval overkomt. De werknemer lijdt immers schade terwijl hij werkzaamheden uitoefent ten behoeve van zijn werkgever. Bovendien zal hij die werkzaamheden verrichten in een omgeving die door de werkgever is ingericht. Op de werkgever rust een wettelijke verplichting (art. 7:568 BW) om "de lokalen en werktuigen" (met andere woorden: de omgeving waarin en alle apparaten waarmee wordt gewerkt) adequaat te beveiligen. Dit gaat verder dan het enkele voldoen aan geldende voorschriften zoals ISO-normen en de arbeidsomstandighedenwetgeving. Zelfs in het geval aan al dergelijke normen en voorschriften is voldaan, kan de rechter oordelen dat het desalniettemin aan de werkgever te wijten is dat een gevaarlijke situatie kon ontstaan. Dit hangt onder meer samen met de invloed die de werkgever hierop kan uitoefenen.

go

Arbeidsinspectie gaat strenger controleren

Vanuit de arbeidsinspectie wordt er in jaar 2008 strenger gecontroleerd op misstanden bij de behandeling van Polen en werknemers vanuit andere landen in Midden- en Oost-Europa. Minister Donner van Sociale Zaken en werkgelegenheid heeft dit in december 2007 in de Tweede Kamer aangekondigd en ook de directeur van de arbeidsinspectie heeft dit in zijn nieuwjaarsborrel in januari 2008 aangekondigd.
go

Internationaal alimentatierecht

Inleiding

Op 15 december 2005 heeft de Europese Commissie een voorstel ingediend, hierna genoemd: “de alimentatieverordening”, omtrent de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van alimentatie beslissingen en de samenwerking op het gebied van de internationale alimentatie.

go

Selectieve betaling

Met regelmaat worden ondernemers geconfronteerd met de beslissing wie wel of - nog - niet te betalen. Mag dit? En welke risico's loopt de ondernemer als bestuurder of aandeelhouder tegenover een crediteur, die vindt dat hij niet (op tijd) is betaald?

go

Controle van de 'zieke' werknemer

Veel werkgevers lopen in de praktijk tegen de situatie aan dat een zieke werknemer niet meewerkt aan reïntegratie-maatregelen. Wat mag een werkgever doen wanneer een werknemer niet komt opdagen bij gesprekken met de bedrijfsarts of case manager en zich niet houdt aan de ziekte- en verzuimvoorschriften?

go

Een vergunning om te hinderen?

Uw buurman is al een week of wat in de weer met kruiwagens, cementmolens en bakstenen en van de ene dag op de andere komt u thuis om te ontdekken dat u in uw tuin geen zonlicht meer krijgt en ook dat u niet meer kunt genieten van het uitzicht op het achtergelegen plein. Het 'openhaardhouthuisje' waarover uw buurman wel eens iets had gemompeld over de schutting, blijkt een nogal uit de hand gelopen exemplaar van een garage te zijn geworden.

U spreekt uw buurman hierop aan, uiteraard op een volwassen manier. Die antwoordt doodleuk dat hij voor het bouwwerk een vergunning heeft, wacht, hij gooit vanavond nog een kopie bij u in de bus. En 's avonds blijkt dat nog te kloppen ook.

go

Nieuwe domeinnaam .asia

Op 9 oktober wordt een nieuwe extensie voor domeinnamen gelanceerd: .asia. Deze extensie kan nuttig zijn voor bedrijven met belangen in Azië. Vanwege de nog steeds snel groeiende Aziatische markten wordt verwacht dat de extensie .asia gewild is. Wanneer de Aziatische markt voor u of uw bedrijf van belang is kunt u kiezen voor een domeinnaam met de extensie .asia, maar ook als u wilt voorkomen dat een ander uw merk- of handelsnaam met de extensie .asia gaat gebruiken, kan registratie van belang zijn.

go

De verantwoordelijkheid van de assurantie tussenpersoon

In oktober van dit jaar heeft de rechtbank in Dordrecht een vonnis gewezen over de zorgplicht van een verzekeringstussenpersoon over een overlijdensrisicoverzekering.

go